Satie in de woestijn

Wonderlijk, als je in een ver land een bekende melodie hoort. Het overkwam Jan Krol bij de Aboriginals in Alice Springs....

Jan Krol

Koorong was een Aboriginal zoals we die vaker zagen in Alice Springs: vuil, gekleed in lompen, het grijze haar vol klitten, stinkend naar zweet – en strontlazarus. We zaten op een terras en goten flessen Foor-Eks naar binnen, moe en dorstig als we waren van een lange dag in de woestijn. Koorong zwalkte in onze richting. In zijn ene hand droeg hij een gebutste koffer en een canvas rugzakje met nog maar één draagband, met de andere sleepte hij een didgeridoo achter zich aan.

‘Die komt hier spelen’, zuchtte Simon. We hadden al te vaak dronken Aboriginals aan onze tafel gehad.

Inderdaad installeerde Koorong zich min of meer aan onze voeten. Hij grijnsde zijn tanden, of wat ervan over was, bloot, en krabde in zijn haar. Zijn blote voeten waren bedekt met schrammen en korsten. Een hond die even aan hem kwam ruiken, deinsde verschrikt terug. Koorong zette de didgeridoo aan zijn lippen en daar was de sombere grondtoon die we meer nog dan de boemerang met dit land waren gaan vereenzelvigen. Het kan zijn dat Koorong in een depressieve bui was, want de klank was klaaglijker dan ooit. Al het leed de Aboriginals in de afgelopen eeuwen aangedaan, leek in zijn spel geconcentreerd.

‘Mooi’, zei Simon, terwijl hij Koorong een dollar toewierp. ‘Heel mooi, maar ik zou zo graag eens iets van een melodíe willen horen.’

Alsof de Aboriginal hem had verstaan, perste hij zijn lippen opnieuw tegen de blaaspijp en speelde iets dat we allemaal wel kenden, maar van verbazing niet onmiddellijk konden thuisbrengen. Het was Martine bij wie een licht opging.

‘Is dat niet* Jongens dat is*’

‘Satie!’, riep Gerard. ‘Verdomd, dat lijkt heel erg op Satie!’ Hij gebaarde naar de stoffige man op het plaveisel. ‘Speel dat nog eens*’

Koorong blies de tonen opnieuw. En ja, het wás Satie, Gnossienne nummer één, in precies het tempo van Reinbert de Leeuw.

Hoe was dat mogelijk? Hadden we het goed gehoord? Dit moest toeval zijn. Maar het was geen toeval. Want nadat Koorong de eerste vijf maten nog eens had ingezet, speelde hij de volgende vijf ook, helemaal goed, noot voor noot, langzaam, zeg maar: gedragen – we werden er stil van.

‘Hoe kan hij*’, vroeg Simon toen het uit was, en daarna gericht aan de Aboriginal: ‘Hoe kun jij* hoe weet jij*’

Koorong legde de didgeridoo terzijde en trok zijn koffer naar zich toe. Hij rommelde ongericht in een verzameling voddige kleren en haalde na lang zoeken een voorwerp tevoorschijn dat bij ons een schokje van herkenning teweegbracht. Het was een iPod, een zwarte, stoffig en beschadigd, maar kennelijk nog functionerend.

‘Heb ik gevonden’, zei Koorong met dubbele tong. ‘Bij Uluru. Muziek in een doosje, hihihi, een toverdoosje vol muziek.’

Hij greep zijn didgeridoo en blies het refrein van Het kleine café aan de haven, en toen hij onze verblufte gezichten zag, kwam hij, zijn spullen bijeen grabbelend, overeind en vroeg: ‘Een landgenoot van jullie?’ Met een grijns draaide hij zich om en verdween slingerend om de hoek.

Meer over