Sándor Márai in brieven

Nederlandse lezers hebben de Hongaarse schrijver Sándor Márai in hun hart gesloten. Toen hier de roman Gloed in vertaling verscheen, werd het boek uitzonderlijk goed verkocht....

In Duitsland heeft de uitgeverij Piper het succes van Die Glut van meet af aan benut voor een verdere exploratie van Márai's oeuvre. Als je daar een boekwinkel binnenloopt, vind je inmiddels een kleine bibliotheek met mooie uitgaven als de biografie Ein Leben in Bildern, de roman Die junge Rebellen, de beschouwingen Himmel und Erde, de dagboeken en nog veel meer. Het gaat maar door, alsof het einde nog lang niet in zicht is.

Onlangs is de publicatie verschenen van de briefwisseling tussen Sándor Márai en Tibor Simányi, net als Márai een Hongaarse vluchteling. Hij is publicist en vertaler en werkte jarenlang voor de Duitse wereldomroep. Simányi zoekt aan het eind van de jaren zestig contact met Márai, en vanaf dat moment zullen ze elkaar twintig jaar blijven schrijven, tot Márai's dood in 1989 in San Diego. We krijgen voornamelijk brieven van Márai te lezen - die van zijn bewonderaar (en later vriend) zijn in de minderheid. Daardoor is dit een echt Márai-boek.

Als de heren elkaar voor het eerst schrijven, is Márai 69 jaar oud, een man op leeftijd. Hij woont dan in Salerno bij Napels. De aanleiding voor de briefwisseling is Simányi's verlangen de schrijver in Duitsland (en in de landen waar men de Duitse zender kan ontvangen, dus ook in Hongarije) bekend te maken. Dat lukt, maar hoe moeizaam het ging, daarover leren deze brieven ons veel pijnlijks (zoals de ongehoord botte weigering van Duitse uitgevers om iets van Márai te publiceren).

Maar nog veel meer leren ze ons over deze oude man - die zich er op zijn 73ste voor geneert dat hij nog aan een nieuwe roman begint -, over zijn ideeën en zijn leven. Opvallend is zijn grote belangstelling voor politieke en sociale ontwikkelingen. Aan het eind schrijft hij, dan al in de tachtig: 'Ik ben niet langer nieuwsgierig meer, maar ik blijf wel opmerkzaam.'

Het is treffend gezegd, zoals steeds weer als Márai de vraagstukken van de tijd beziet, met een scherp oog voor de eigentijdse machtsverhoudingen (de tegenstelling Rusland-Amerika en de zwakke rol van Europa), maar vooral voor het sociale en culturele klimaat, dat hij onder invloed van een liederlijk soort links vakbondsdenken in een steeds grotere chaos ziet veranderen: een broedplaats van terrorisme.

Vanzelf komen ook de literatuur en vooral het literaire bedrijf stelselmatig ter sprake. Op 5 november 1973 raakt hij even het onderwerp Frankfurter Buchmesse aan, een 'Trauerzeremonie' in zijn ogen, een rouwplechtigheid. 'Schrijver en lezer zoeken elkaar, tasten in het duister. Tussen hen staat het bedrijf. Met literatuur heeft dat niets meer te maken.' Je zou het zelf gezegd willen hebben, zoals zo vaak wanneer Márai met zijn glasheldere formuleringen onze mediagemeenplaatsen in het juiste licht stelt.

Een inspirerend boek. Het vergroot je bewondering voor deze man, zo verguisd door het lot, die zich nooit de wet heeft laten voorschrijven. De prijs die hij ervoor betaalde, was dat hij tot het laatste moment, intellectueel gesproken, tot de tanden gewapend diende te zijn. Pas op 22 februari 1989, bijna negentig jaar oud en helemaal alleen na de dood van zijn vrouw Lola (Ilona), met wie hij zestig jaar van zijn leven had gedeeld, werd het hem te veel en schoot hij zichzelf door het hoofd.

Meer over