's Lands allerlaatste kans

Het Wouda-gemaal in Lemmer is onlangs op de monumentenlijst van de Unesco geplaatst. Een paar jaar geleden waren daar al Schokland en de Stelling van Amsterdam op terechtgekomen....

HENK STRABBING

NEDERLAND heeft een lange grens, maar altijd een klein leger gehad. Die combinatie was voortdurend lastig, zeker in de pre-NAVO-tijd. Daarom hadden we tot begin deze eeuw een speciale truc in voorraad: de Hollandsche Waterlinie, later uitgebreid tot de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. De Waterlinie, zestig kilometer lang en drie kilometer breed, liep van de Zuiderzee tot de Biesbosch. En als het, militair gezien, helemaal de spuigaten uitliep, was er altijd nog een allerlaatste bastion: de Stelling van Amsterdam, een wijde kring van 42 forten rond de hoofdstad, met een totale lengte van 135 kilometer.

De bouw nam een aanvang nadat de Vestingwet van 1874 was aangenomen. Voortvarend begon men aan tientallen nieuwe forten. Maar al na korte tijd rezen er problemen, die in feite nooit meer zouden overgaan. De berichten waarmee de jonge kapitein Cornelis Snijders - later zou hij nog opperbevelhebber worden- in 1885 uit Duitsland terugkwam, sloegen op het Haagse ministerie van Oorlog in als een bom. Bij Krupp in Essen werd, zo had Sijders te horen gekregen, een nieuwe brisantgranaat gefabriceerd, waarvoor geen muur te dik leek. Trotse Pruisische genie-generaals hadden de verblufte Nederlandse kapitein voorgerekend dat de inslag van deze granaat minstens zestien keer zoveel effect had als zijn beste voorgangers.

Dat maakte in één klap enkele tientallen dure militaire versterkingen in Nederland levensgevaarlijk ouderwets. De uitvoering van de Vestingwet, nog maar juist met zoveel bravoure begonnen, werd voorlopig stopgezet. De al vervaardigde bouwsels moesten eerst worden versterkt en voor de vestingwerken die nog op de tekentafels stonden, dienden eerst dikkere muren te worden ontworpen. De betreffende forten maakten alle deel uit van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en de Stelling van Amsterdam.

Water dienstig maken aan oorlogvoering, dat hadden de Nederlanders al tijdens de strijd tegen de Spanjaarden gepraktiseerd. De hertog van Alva was er al hoorndol van geworden. Na zijn echec bij Leidens ontzet en de inname van Den Briel schreef de geplaagde landvoogd aan zijn vorst, Filips II: 'Om alle oorden, ja zelfs het allerellendigste gat ligt een greppel vol water, waar eerst een brug over moet worden gebouwd voor men kan oversteken.'

Een eeuw later, in het Rampjaar 1672, werden de legers van de Franse Zonnekoning door datzelfde Nederlandse water tegengehouden. Voltaire noteerde over die rare Hollanders: 'Ze deden de dijken doorsteken die het zeewater tegenhouden. De ontelbare landhuizen rondom Amsterdam, de dorpen, de naburige steden, Leiden, Delft, stonden onder water. Zonder morren zag de landman zijn kudde verdrinken. Maar aan de uiterste nood gaf men devoorkeur boven de slavernij' (uit: Le Siècle de Louis XIV).

De werking van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie, aangelegd tussen 1816 en 1824, was simpel. Bij het naderen van de vijand werd de desbetreffende strook land onder water gezet, wat gemakkelijk kon omdat het gebied toch al onder de zeespiegel lag. Gemiddeld ging deze inundatie niet verder dan veertig centimeter. Je had dus niets aan boten, en waden ging evenmin, want de vele, nu onzichtbare sloten en vaarten maakten dat onmogelijk. De indringers werden gedwongen zich over de dijken voort te bewegen en waren aldus gereduceerd tot schietschijf.

Mocht de vijand toch onverhoopt door de Waterlinie weten te dringen, dan kon het Nederlandse leger zich terugtrekken op zijn finale toevluchtsoord: een grote kring van forten, kazematten en versterkingen rond de hoofdstad, het zogenoemde centraal reduit. Wie deze Stelling van Amsterdam zou doorbreken, raakte Nederland daadwerkelijk in het hart. Dan was er geen redden meer aan.

Daarom was de enorme paniek bij de Nederlandse militairen en politici over de nieuwe Duitse brisantgranaat begrijpelijk. Want de dreiging kwam natuurlijk de laatste jaren uit het oosten, waar het Pruisische militarisme na de nieuwe, door Bismarck gesmede Duitse eenheid onder keizer Wilhelm I een factor van groot belang was geworden. In 1870 en 1871 had de Frans-Duitse oorlog de militaire kracht van onze oosterburen nog eens flink onderstreept.

Op zichzelf was een cirkelvormige verdedigingsstelling rond een belangrijke stad niet bijzonder. Parijs had al in het begin van de negentiende eeuw een soortgelijke verdedigingsgordel geconstrueerd met een omtrek van ruim dertig kilometer, zestien forten en 97 kazematten. Antwerpen brak ongeveer in dezelfde tijd zijn oude stadsmuren af om ze te vervangen door eigentijdse fortificaties. Wat de Stelling van Amsterdam uniek in zijn soort maakte, was de alomtegenwoordigheid (en het gebruik) van water. Bovendien was de stelling een met ongeschoold oog nauwelijks waarneembaar fenomeen, doordat slechts hier en daar kleine, kunstmatige heuvels in het landschap oprezen.

De eerder genoemde brisantgranaat - en sowieso de voortdurend snellere verbetering van geschut na de industriële revolutie - leidde tot de pijlsnelle ontwikkeling van een nieuwe manier van bouwen: met beton. Voordat kapitein Snijders met zijn opzienbarende onthulling kwam, placht men wanden en gewelven van forten van bakstenen te metselen. Dat muurwerk was weliswaar één meter dik, en kreeg dan nog dikke lagen aarde tegen zich aan geplempt, maar deze constructie vormde voor de nieuwe granaat geen enkele partij. De genie deed in 1892 proeven bij Schoorl en daar kwam men tot de slotsom dat dik, ongewapend beton het beste weermiddel moest zijn. Drie granaten bleken voldoende om door de oude, gemetselde muur te dringen, maar beton bezweek pas na meer dan tien voltreffers. Bij sommige forten in aanbouw werd daarna domweg van de ene dag op de andere overgeschakeld op beton. Daarom zijn in sommige forten onlogische combinaties aan te treffen van metselwerk en beton.

In 1912 werd er een grootscheepse oefening gehouden waar het nog frisch-fröhlich toeging, al zagen leden van de Bezuinigingscommissie erop toe dat er maar mondjesmaat ammunitie teloor ging. De 'oorlogscorrespondent' van het Algemeen Handelsblad moest zich vergenoegen met 'het geluid van een ratel, voorstellende het vuur van nieuwerwetsche mitrailleurs. Trouwens, ook bij den aanvaller werd de zuinigheid betracht: hier stonden de vuurmonden te paffen, voorgesteld door een of ander vuurwerkje achter een scherm of zeil - ons leger zit wel goed in zijn requisieten.'

Maar twee jaar later werd het menens. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de stelling, hoewel nog niet helemaal af, volledig bemand. Op 31 juli 1914 was de algehele mobilisatie afgekondigd. Op 2 augustus waren alle troepen gevechtsklaar in de stelling aanwezig, rond tienduizend man.

De genie was het enige korps dat feitelijk voortdurend bezig was, want er moest nog een flink aantal dijken worden aangelegd voor de inundatie (die toen overigens nooit kwam). De Duitsers drongen bij het neutrale Nederland zelfs aan op versterking van het westelijk deel van de stelling tegen een eventuele Engelse inval. Dat verzoek (bevel?) werd zonder mankeren opgevolgd.

Maar voor de meeste militairen was het saaiheid troef. De vijand kwam maar niet en de avonden waren lang, ondanks handenarbeid - houtsnijden van voorgedrukte patronen was populair - ontspanningsclubs en sport. Het eten was miniem van kwaliteit, de behuizing donker en nattig opgezond. In sommige forten moesten relletjes de kop worden ingedrukt. Kortom: de stellingsoldaten waren na vier jaar hun rats, kuch en bonen spuugzat.

In 1920, twee jaar na de oorlog die aan Nederland voorbijging, was de Stelling van Amsterdam helemaal klaar. In 1940, toen de Duitsers Nederland wel binnenvielen, was de stelling in feite alweer buiten gebruik; het nieuwe fenomeen parachutist had Waterlinie en centraal reduit overbodig gemaakt.

Toch speelde inundatie nog altijd door de hoofden van de generale staf. Toen de Grebbelinie onhoudbaar bleek, moest het leger terugtrekken naar de Waterlinie, maar inundatie bleek door de dit jaar extra lage waterstand nauwelijks mogelijk.

De Duitse bevelhebbers hadden zich ingesteld op een moeizame strijd om de Nieuwe Hollandsche Waterlinie, maar na vijf dagen capituleerde Nederland, enigszins tot hun verrassing. De bezetters gebruikten de komende vijf jaren een aantal forten als kazerne en wisten precies waar ze moesten zijn om het beste staal te ontmantelen, want de kanonnen kwamen vrijwel zonder uitzondering van Krupp.

De Duitsers zelf zouden de boel bij hun terugtocht in 1945 onder water zetten. Maar dat konden ze niet zoals het hoorde, getuige het verslag van een Nederlandse ingenieur, later in het bevrijdingsjaar: 'Het inunderen geschiedde in het algemeen op weinig deskundige wijze. Vooral de eerste dagen werden geheel overbodige vernielingen verricht aan gemalen en sluizen.'

Na de oorlog werd de Stelling van Amsterdam door Defensie successievelijk in onderdelen afgestoten naar de dienst Domeinen en vandaar gingen sommige forten naar particulieren, die er restaurants, ateliers en jachthavens in exploiteren. Omdat het landschap rond de stelling indertijd nauwelijks kon worden aangetast vanwege de militaire eis dat veel schootsveld vrij moest blijven, is er een uniek gebied overgebleven. De ANWB heeft onlangs een tweehonderd kilometer lange fietsroute langs de stelling bewegwijzerd.

Omgerekend naar huidig geld had de Stelling van Amsterdam vier miljard gulden gekost - ongeveer een kwart van de Deltawerken.

---------------

Er zijn diverse Internet-websites over de Stelling van Amsterdam. De jongste en meest uitgebreide is http://www.bio.vu.nl/

home/rgaros/sva/

Meer over