Ruim 45 duizend kilo vis per dag

Aalscholvers zie je toch werkelijk óveral, menen geamuseerde collega's. Laatst nog bij een van hen voor de deur, in hartje Amsterdam, aan de Amstel....

Overal, maar alsof de duvel ermee speelt, niet als je erop uittrekt om inspiratie op te doen voor een artikel over deze markante viseters. De vogels van bijna een meter hoog hebben een donker verenkleed met een soms wat groene zweem, en ze vallen vooral op door een onaangename haaksnavel met aan de basis een witte, ogenschijnlijk kale plek. Het lijken wat primitieve schooiers, zeker als ze na een geslaagde duik aan de kant staan uit te lekken.

Maar zelfs strandpaviljoen De Aalscholver bij Lelystad biedt geen soelaas op deze koude decemberdag. In geen velden of wegen is een naamgever van de uitspanning te bekennen. En juist hier, bij de Houtribdijk en langs de sluizen bij Lelystad, zou een goede kans bestaan om aalscholvers te zien vissen, had Vogelbescherming Nederland beloofd. Maar het merendeel van deze deels trekkende vogels dobbert waarschijnlijk ergens voor de kust of is vanwege het koude weer afgereisd naar de Middellandse Zee. Zij wel. 's Zomers kunnen de vogels hier rond Lelystad echter prima uit de voeten. Dan verandert deze grauwe verlatenheid in een aalscholverparadijs pur sang. Eind jaren zeventig ontdekten de dieren op een steenworp afstand een nieuw natuurgebied: de Oostvaardersplassen. Het was het begin van hun zegetocht.

In 1978 streken hier 178 aalscholverparen neer; vijf jaar later was het aantal nesten aangegroeid tot bijna vierduizend en in de jaren erna verdubbelde dat aantal nog een keer. Inmiddels zit de klad er een beetje in. Vermoedelijk doordat de kolonie wat in aantal was doorgeschoten en zich langzaam op een iets lager niveau - van 5500 broedparen - stabiliseert.

Dat was hoe dan ook een enorme toename. Jarenlang hielden vissers het aantal aalscholvers rond het IJsselmeer streng binnen de perken. Het dieptepunt kwam begin jaren zestig met 800 broedparen in nog maar twee kolonies. Pas in 1965 werd de aalscholver definitief opgenomen in de Vogelwet en daarmee werd de latere opmars mogelijk gemaakt. Bovendien ging de waterkwaliteit vanaf de jaren zeventig met sprongen vooruit, waardoor de vis minder pcb's bevatte, en dat kwam het broedsucces weer ten goede. Vanaf dat moment waren de verhoudingen omgedraaid.

Zo staat op oudere wegenkaarten net ten noorden van Lelystad nog een viskwekerij vermeld. Wie er een kijkje gaat nemen, ziet achter een windmolenpark droog gevallen velden liggen met dammetjes ertussen.

In 1991 kweekte de Organisatie voor de Binnenvisserij (OVB) hier voor het laatst pootvis om uit te zetten in de binnenwateren. Daarna ging de 200 hectare grote viskwekerij dicht. 'We hebben toen helaas eieren voor ons geld moeten kiezen', constateert drs. R. Riemens van de OVB. 'Door de aalscholvers in de Oostvaardersplassen moesten we de kwekerij sluiten. De vogels jagen op het zicht. Vooral met hoge golfslag op het IJsselmeer en donker weer, weken de dieren met honderden tegelijk uit naar onze vijvers. De kolonie bedroeg op een gegeven moment zo'n tienduizend tot vijftienduizend vogels, en elk dier heeft 500 gram vis per dag nodig.'

Toen de vogels het gezicht kregen op deze supermarkt om de hoek, midden jaren tachtig, zag de OVB, aldus Riemens, soms een derde tot de helft van de vis spoorloos verdwijnen. Aalscholver-werende maatregelen, zoals lawaai en het inzetten van roofvogels, sorteerden wel enig effect, maar konden niet verhinderen dat de OVB uiteindelijk de handdoek in de ring moest gooien. 'We zijn uitgeweken', aldus Riemens, 'naar onze andere locatie, bij Valkenswaard, in de gedachte dat er geen aalscholvers zaten. Maar ook daar hebben we inmiddels met deze vogels te maken, zij het niet in die aantallen als in Lelystad.'

Alles wijst erop dat dat de dieren meer en meer óók in het binnenland vertoeven. De opkomst van de kolonie in de Oostvaardersplassen betekende een stimulans voor de aalscholvers in de rest van het land. De vogels vestigden nieuwe kolonies (inmiddels zijn er dertien) en namen snel in aantal toe. Begin jaren negentig waren er topjaren met rond de twintigduizend nesten. In 1996 waren er volgens de laatste tellingen van Sovon-vogelonderzoek 18.474 broedparen.

Dit betekent dat er na het broedseizoen, als de jongen zijn uitgevlogen, rond de negentigduizend van deze rovers in Nederland achter de vis aanzitten. En dat doen ze niet alleen in de grote wateren van de delta of rond en in het IJsselmeer, maar ook op andere plaatsen waar een visje te verschalken valt. Bij vogelbescherming en het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) in Wageningen bestaat de indruk dat de dieren meer en meer hun schroom verliezen en zich buiten natuurgebieden wagen. 'Het zijn slimme dieren, die goed op elkaar letten waar iets te halen valt.' Bovendien zien ze er niet tegenop vijftig kilometer te vliegen voor een mooie visstek.

In 1996 trokken de beroepsvissers luidruchtig aan de bel. Hoewel aalscholvers vooral ondermaatse pos, blankvoorn, snoekbaars, spiering en schol vangen, reageerden de beroepsvissers hun frustratie over de door overbevissing teruglopende palingvangsten af op de vogels. Dat meende althans vogelbescherming.

Maar het tij lijkt weer te keren. Vogelbescherming mag dan zeggen dat vogel en visser geen echte concurrenten zijn, en dat de aalscholver sowieso de oudste rechten heeft; toch lijkt het onmiskenbaar dat de slinger langzaam weer terugvalt. Het succes van de aalscholverbescherming lijkt in zijn tegendeel te verkeren.

Twee jaar geleden al besloot het Europees Parlement de aalscholver weer vogelvrij te verklaren. In Nederland zijn behoudens enkele incidentele afschotvergunningen, nog geen beperkende maatregelen uitgevoerd, zoals eieren rapen of eieren schudden.

Voorlopig kunnen de vogels nog hun gang gaan. Bijvoorbeeld in een sprookjesachtig besneeuwd landschap langs de Rijn bij Driel, met uitzicht op de Veluwezoom. Drie aalscholvers dobberen hier, karakteristiek diep in het water gelegen, in een oude kleiput en trekken zich weinig aan van de alom gakkende ganzen. De spitse koppen staan iets scheef omhoog, alsof ze constant de lucht opsnuiven naar onraad. Tot ze een vis van hun gading bespeuren en duiken. Het bord aan de voet van de dijk laat ze Siberisch: verboden te vissen.

Meer over