Rue Mouffetard

In Parijs heb ik samen met Rudy Kousbroek twee huizen bewoond. Het eerste was een klein, smal, vervallen, in de 18de eeuw gebouwd huis aan de Place de la Contrescarpe, nu een hotelletje. We schrijven 1950. Hotel Beau Séjour. Het telde vier kamers, waarvan wij er een betrokken. Sinds de 18de eeuw was er weinig meer aan gebeurd, behalve dat er elektriciteit was aangebracht. Het bed in onze kamer nam het grootste deel in beslag. We wasten ons in de gootsteen, die zich in een miniem keukentje bevond. Koffiewater werd verwarmd op een elektrisch kookplaatje. Als we dat gebruikten, moesten we het licht, een zwak, aan het plafond bungelend peertje, uitdoen, anders ploften de zekeringen. De wc, een gat waarboven we moesten hurken, was halverwege de trap. Tegen de avond gingen we de Rue Mouffetard in, toen nog een armoedig straatje en geen toeristische trekpleister en kochten een grote portie frites, twee dikke rode worstjes, een kwak scherpe, gele mosterd en een uit een vat gevulde fles goedkope Algerijnse wijn en sloegen, knorrend van tevredenheid, proviand en drank naar binnen in onze hotelkamer. De hotelhoudster heette madame Mirabelle, een Anna Magnani-achtige vrouw. Ze had een knappe dochter, die zij zo veel mogelijk buiten zicht hield.

Rudy kreeg werk bij de Unesco, ik keerde terug naar Amsterdam om daar mijn brood te verdienen, vastbesloten om naar Parijs terug te keren. Een jaar later was het zover. Ik trok bij Rudy in met mijn eerste echtgenote. Door zijn toedoen was onze woonsituatie aanmerkelijk verbeterd. We woonden nu in de Rue de Duras, vlakbij het Élysée, een wijk vol ministeries. Ik schreef het gedicht Huis in Parijs : 'Als bij ons de radio aan is/ kun je de zender horen/ van het ministerie dat bij ons om de hoek is. Dat seinen klinkt zuiver/ een onverstaanbare eentonige boodschap door Montand heen/ (stem van rottende blaren)./ Pieppieieiep; stil/ stil dan toch conciërge op de binnenplaats:/ het is de minister die spreekt./ Ik weet niet waarvan,/ maar vast en zeker is het belangrijk/ dwars door Montand heen/en als ik je kussen wil.'

De conciërge was een pinnige dame, die niet-Fransen wantrouwde. We hadden het gevoel onder streng toezicht te staan en waren opgelucht als ze even niet in haar conciërgehokje zat. Van haar man hadden we geen last; hij zat onder de plak. Hij verzamelde postzegels en was dankbaar voor de zegels die we hem gaven.

We ontvingen vaak buitenlands bezoek. Dat heeft ze ongetwijfeld aan de politie doorgegeven, want die stond op een dag voor onze deur om onze verblijfsvergunningen te controleren en met het uitdrukkingsloze gezicht van de macht rond te kijken in ons appartement. Frans bezoek kregen we nooit. Met Fransen sprak je af in cafés. Dat deden we via de pneumatique (de telefoon stond bij de conciërge, die we vermeden). De pneumatique was een ingenieus buizenstelsel dat onder de hele stad door liep, waarmee je stadstelegrammen kon versturen.

Op een kwade dag werd onze huurprijs verdubbeld. Dat konden we niet opbrengen. Rudy, met hart en ziel aan Frankrijk gehecht, vond een nieuwe woning. Ik keerde terug naar Amsterdam. Ik ben nog vaak in Parijs geweest, maar heb er nooit meer gewoond.

undefined

Meer over