Rowwen Hèze maakt thuis in America 'wereldmuziek'

De popgroep Rowwen Hèze is niet weg te branden uit zijn Noordlimburgse land van herkomst. In de muziek is soms de 'fanfaar' te beluisteren....

NICOLINE BAARTMAN

DE JONGENS van Rowwen Hèze zijn stuk voor stuk heel dicht bij huis gebleven. Waar ze geboren zijn, daar wonen ze: op loopafstand van het (groot)ouderlijk huis of hooguit een paar landwegen verderop. Vandaar bestieren ze het succesvolle 'bedrijf' dat Rowwen Hèze in tien jaar tijd is geworden. Vandaar gaat het twee à drie keer per week met de Chevroletbus het land in om op te treden. Zoals Normaal zit vastgebakken aan de Gelderse Achterhoek, is Rowwen Hèze verankerd in het Limburgse Peellandschap en in het bijzonder het dorp America.

De muziek, met teksten in het Americaanse dialect, hoort daar waar ze is ontstaan. Blaast niet op de achtergrond de 'fanfaar' een deuntje mee, dan klinkt er wel een echo van kermis- of carnavalsplezier in door, of anders flarden van Duitse hoempa- en schlagerhits: vanzelfsprekend erfgoed van een bestaan vlak aan de grens.

Toch heeft dat idioom, in hart en nerf plaatsbepaald, ook aansluiting weten te vinden bij een genre dat aan de andere kant van de oceaan bekendheid kreeg als tex-mex (van Texaans-Mexicaans) door grote namen als Los Lobos en Flaco Jimenez. De jongens van Rowwen Hèze maken, met andere woorden, 'wereldmuziek' op hun boerenfluitjes, door thuis te blijven.

Voor socioloog Jan Brands, opgegroeid in een dorp in het oosten van het land, vormde vooral dat gegeven een aanleiding om contact te zoeken met de band en een boek te willen schrijven. Hij zag de Limburgers voor het eerst op video: een registratie van het optreden van Rowwen Hèze op de Amsterdamse Uitmarkt in 1992. Zowel het 'speelplezier' als de 'schitterende teksten' maakte indruk; daarnaast herinnerde de muziek hem aan de 'zonnige zondagen' die hij vroeger bij zijn grootouders in het Zuiden doorbracht.

'Om de dingen die ik in mijn leven wilde doen te doen, had ìk mijn geboortedorp juist moeten verlaten', schrijft hij in het voorwoord van Een splinter van de ziel - Rowwen Hèze en het grote dorpsverlangen. Deze jongens waren gebleven.

Op zoek naar oorsprong èn oorspronkelijkheid van Rowwen Hèze (en - het kan niet anders - de verloren gewaande dorpeling in zichzelf) heeft de socioloog vooral zanger/tekstschrijver Jack Poels het hemd van het lijf gevraagd. Om Poels draait het in Een splinter van de ziel. De verhalen van gitarist Theo Joosten, bassist Jan Philipsen, drummer Martîn Rongen, trompettist Jack Haegens, accordeonist William 'Tren' van Enckevort en anderen komen op het tweede plan.

'Als er een beek door je dorp loopt, moet je niet over de Mississippi zingen', is een wijsheid die Jack Poels op zijn zeventiende meekreeg van een stem op de radio. Al zong hij in Bad Edge, een stevige rockband met een zekere reputatie in America en omstreken, over crack, 42nd street en soortgelijke zaken die het gezichtsveld van een gewone jongen ver te buiten gingen, had hij het toen ook al liever niet. Hij schreef wel limericks in het dialect voor een plaatselijk krantje.

Poels ìs een gewone jongen, zoals ze allemaal 'toch ook echt van zo'n Limburgse jongens' zijn. Maar Poels is ook een gevoelige jongen met een mooi gevoel voor understatement; in monoloogvorm laat Brands de geïnterviewden aan het woord.

Behept met een snel op hol slaande fantasie kan de zanger/tekstdichter geen boek lezen of film zien zonder af te dwalen. Op school ging het allesbehalve van een leien dakje, alleen in tekenen en zingen was hij goed. Voetballen kon hij ook al niet ('zwakke knietjes en zoiets allemaal'). En verder was en is hij voor van alles en nog wat bang: spreekbeurten, de tandarts, vliegen. Poels wordt al duizelig als hij langer dan nodig in De Stad moet zijn.

In de omgeving laat hij zijn neus weinig zien, het café van Jantje, de stamkroeg van de band in America, is de enige plek waar hij zich kan vertonen zonder te worden aangeklampt. Poels zit dus veel achter de gordijnen. Maar hij hoeft ook geen stap buiten de deur te zetten om te weten wat het dorp gaande houdt.

Dat hij goed kan observeren, blijkt wel uit zijn teksten die behoorlijk kunnen botsen met het imago van Rowwen Hèze als toffe feestband. Poels is geen vrolijke Frans en eerder melancholicus dan chauvinist.

Anders dan zijn collega van Normaal koketteert hij niet met boerenwijsheden of een ruwe-bolster-blanke-pit-mentaliteit die de plattelander eigen zou zijn. Zijn dorpsidylle bestaat juist bij de gratie van alles wat in beginsel aanwezig is om het vreedzame en vertrouwde te verstoren.

Ter inkleuring van Poels' verhaal en dat van de andere bandleden heeft Jan Brands ook de twee ex-leden van Rowwen Hèze, cd-producers Boudewijn de Groot en Rob van Donselaar en enkele fans geïnterviewd. Daarnaast zijn er losse bijdragen van gastschrijvers (onder wie Ton van Reen en A.F.Th. van der Heijden) in het boek opgenomen, die ofwel literair ofwel informatief van aard zijn. Door die aanpak is Een splinter van de ziel niet alleen van alle markten thuis, het boek is ook een beetje een allegaartje geworden.

Storend had dat niet hoeven zijn als Brands zelf de touwtjes maar in handen had genomen en tussendoor als verteller was opgetreden. Zijn keuze om de gesprekken tot in detail als een keten van monologen op te schrijven (250 pagina's lang), is vermoedelijk ingegeven door zijn wetenschappelijke achtergrond, erg spannend wordt het boek er niet van.

Wat een gloedvol groepsportret had kunnen zijn dat inzicht verschaft in de Noordlimburgse plattelandscultuur, is nu een langdradige geschiedenis waarin heel wat details kunnen worden gemist. Zo krijgt niet alleen de verwijdering tussen Poels en zijn vorige vriendin onnodig veel gewicht (zij ging naar De Stad om te studeren), ook aan de prettige en minder prettige kanten van het muzikantenbestaan, waarover om het even welke band een boekje open kan doen, wordt in het boek al te veel aandacht besteed.

Wat Rowwen Hèze zo bijzonder en helemaal niet gewoon maakt, is zoals gezegd de verbondenheid met de omgeving. Wil je daar als schrijver de vinger op leggen, dan kun je niet volstaan met te vragen waarom Jack Poels verknocht is aan America. Hij heeft daar 'nauwelijks woorden' voor, de anekdote die hij in dat verband vertelt zegt het al: 'Een tijdje geleden werd op de tv een schrijver geïnterviewd. Die man woonde in Loosdrecht, maar was gefascineerd door Ierland. Hij zei: 'Loosdrecht, als je Ierland was, zou ik beter kijken.' Dat herken ik wel.'

Brands had als buitenstaander wèl naar America kunnen kijken als was het Ierland en heeft het vast en zeker ook gedaan. Maar hij heeft nagelaten op te schrijven wat hij zag.

Nicoline Baartman

Jan Brands (samenstelling): Een splinter van de ziel - Rowwen Hèze en het grote dorpsverlangen.

SUN; ¿ 29,50.

ISBN 90 6168 441 2.

Meer over