Rot

Het was niet helemáál ‘The day the music died’, maar toch: de dood van Martin Brozius was een dreun die in mijn uitgebreide kennissenkring nog lang zal nagalmen....

Dat was ook niet nodig, want ik wist het al. Als ze mij ooit vragen: ‘Waar was jij toen je het nieuws van Brozius’ dood hoorde?’, dan hoef ik geen seconde na te denken: achter de computer natuurlijk, want dat is nu eenmaal al geruime tijd de plaats waar men de dood van wie dan ook verneemt, eerstegraads familieleden uitgezonderd. De 67- jarige moeder van vriend W. had aan Brozius een tedere herinnering, die haar zoon zonder dralen het internet op knalde: ‘Ik ben nog met hem naar de Hoornse kermis geweest. We waren 16, denk. Na afloop gingen we met vijf meiden en Martin Brozius in het grote bed liggen. Toen kwam zijn moeder kwaad binnen en stóven we weg.’ Zo’n Martin toch! Behoorlijk doortastend eigenlijk, voor iemand die echt behoorlijk op Goofy leek. Maar misschien maakte de Hoornse kermis iets los bij 16-jarige meisjes dat hen door zulke uiterlijke oppervlakkigheden heen deed kijken.

Zelf moet ik eerlijkheidshalve vermelden dat ik indertijd niet veel zag in die hele Brozius. Die snor alleen al. Hij was met afstand de onaantrekkelijkste figuur uit het overigens briljante Kunt u ons de weg naar Hamelen vertellen, meneer?, met Loeki Knol als goede tweede. En naar Ren je rot keek ik wel, maar uitsluitend omdat je toch íéts moest op zo’n woensdagmiddag in de jaren zeventig, want als je je al te opzichtig zat te vervelen begon je moeder over ‘je kamer opruimen’, of, o horror, ‘lekker buiten spelen’. Dan nog liever Ren je rot. Of Stuif es in, met de strenge doch rechtvaardige kleuterleidster Ria Bremer, en die balk vol brieven, waar – ik wist het zeker – nooit eens mijn school uit getrokken zou worden, zodat ik door het leven moest zonder Gouden Stuiver. Of desnoods keek ik, onder krachtig ironisch voorbehoud, naar Maja de bij en Wicky de Viking, al trok ik de grens bij Ti Ta Tovenaar, want vooral diens dochter was ronduit eng, en ook die grobbebollen, een soort wuppies avant la lettre, boezemden me een diepe weerzin in. Wél echt leuk vond ik Tweekamp, ‘de kwis voor middelbare scholieren’, met Judith Bosch, Dick Passchier en de mysterieuze juryleden, ‘de heren Krijn en Van Pesch’. Van die laatsten is nadien niets meer vernomen. Wellicht zijn ze na de laatste aflevering bijgezet in het grote, geheime, ondergrondse omroep-mausoleum.

Judith Bosch is griezelig weinig veranderd, ook Dick Passchier leeft nog (al heeft hij decennialang in Noorwegen gewoond, lees ik net. Waarom Noorwegen???), maar zijn ooit zo onkreukbare gelaatstrekken zijn verworden tot de tronie van een goedmoedige, vadsige haai uit een tekenfilm. Dat lot is Willem Ruis gelukkig bespaard gebleven, want hij stierf jong en knap: de Hilversumse Kurt Cobain. Van Willem hield ik écht, al val ik gewoonlijk niet zo op blond. Ook van hem weet ik nog waar ik was toen ik het bericht van zijn dood vernam: bij een krantenstalletje in Joegoslavië, uit een drie dagen oude Telegraaf. Ik was er kapot van, en dat vonden mijn reisgenoten belachelijk, want het was geloof ik rechts om Willem leuk te vinden. Nou, dan maar rechts: Willem was een schat, al zat hij tot zijn oogbollen onder de coke.

Dood is hij, net als Brozius, Swiebertje, Pipo de Clown, Sjef van Oekel en andere televisiehelden van vroeger. Miljoenen kijkers trokken die lui indertijd, stuk voor stuk. Zelfs van Q & Q, amper ouder dan ik, is er al een ter ziele. Als het zo doorgaat is er van mijn jeugd binnenkort niks meer over. Gelukkig heb ik Rob de Nijs nog.

Meer over