Rotterdammers, dus verdacht

STEL, je bent inwoner van de grote stad en je hebt beginnersgeluk op de beurs. Dan is er een serieuze kans dat justitie je voor de rechtbank daagt....

Gisteren stonden twee Rotterdamse stadsbewoners in de metropool Amsterdam terecht wegens misbruik van voorwetenschap in het fonds Nedlloyd. De 64-jarige G. H. en zijn schoonzoon G.J. van J. (38) besloten eind 1995 ook een gokje op de beurs te wagen. H. was net 700 duizend gulden rijker geworden, omdat een agenturenovereenkomst was afgekocht. Van J. had als handelaar in farmaceutische artikelen een vermogen van drie miljoen gulden opgebouwd.

Beiden hadden zich in de maanden daarvoor in de effectenwereld verdiept. In oktober was het Rotterdamse transportconcern Nedlloyd met een onheilstijding gekomen. Van J. verwachtte meer slecht nieuws. Op 27 november besloot hij vierhonderd put-opties Nedlloyd te kopen voor 80 duizend gulden. Hij tipte in de auto naar Schiphol ook zijn schoonvader H. over de slechte gang van zaken bij dit fonds. Die besloot 95 puts te kopen. Aankoopsom: 30 duizend gulden.

Beiden belden de ING Bank. Maar de transactie kon niet onmiddellijk worden uitgevoerd. Als first-time beleggers moesten ze eerst een optie-overeenkomst tekenen. Uiteindelijk werden de optie-orders gedaan op 29 november 1995: om 13.55 en 13.56 uur. Precies op tijd.

Nedlloyd kwam om 16.00 uur op dezelfde dag met de derde-kwartaalcijfers. Die waren nog beroerder dan was verwacht. Niet alleen werd de winstverwachting verder naar beneden bijgesteld, ook zorgde een fraudezaak bij Nedlloyd Cargo in Oostenrijk voor een extra miljoenenstrop.

De beurskoers kelderde 10 procent. De opties verveelvoudigden in waarde. De volgende dag konden H. en Van J. hun winst pakken: respectievelijk 41.250 gulden en 96.775 gulden. 'Goed gedaan toch?', concludeerde Van J.

Maar niet iedereen was overtuigd van beginnersgeluk. De transacties van H. en Van J. vielen in het oog bij de stockwatch van de optiebeurs. De timing, de omvang en de aard van de transacties, gecombineerd met het feit dat ze voor het eerst van hun leven iets deden op de beurs, deden voorkennis vermoeden. Maar het onderzoek leverde niet veel meer op dan dat de beide beleggers in Rotterdam woonden, toevallig ook de hoofdzetel van Nedlloyd.

In mei 1997 werd toch aangifte gedaan bij justitie. Het Openbaar Ministerie liet zich door het gebrek aan bewijs niet afschrikken. Ook in eerdere voorkenniszaken had Justitie (BolsWessanen, Weweler) met meer of minder succes zijn heil gezocht tot circumstantial evidence, indirect bewijs.

Op 21 april 1998 werden zowel H. als Van J. 's morgens om zes uur van hun bed gelicht en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau in Rotterdam. Tijdens het verhoor leek H. zijn mond voorbij te praten. Hij noemde als een van de motieven voor de koop de Oostenrijkse fraudezaak. Justitie dacht de zaak rond te hebben, want die fraudezaak was pas openbaar gemaakt nadat hij de opties had gekocht. H. moest dus over voorkennis beschikt hebben.

H's raadsman J. Halsema bestreed gisteren in zijn pleidooi dat de herinnering aan een strop in Oostenrijk - 'let wel, 2,5 jaar na de transactie' - iets te maken zou hebben met voorkennis. 'Het betreft hier wetenschap achteraf en niet vooraf', aldus Halsema.

De beide officieren van justitie waren niet onder de indruk. Zij vonden dat de uitlating van H. wel als bewijs kon worden gebruikt, zij het indirect. 'Het zou mooi geweest zijn als er een directe connectie kon worden gelegd met een tipgever, maar noodzakelijk is het niet. De omstandigheden geven voldoende bewijs', aldus B. Swagerman. Hij eiste negen maanden cel tegen beide verdachten, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

De verdachten waren onthutst, evenals hun raadslieden. 'Als dit tot een veroordeling leidt, moet iedere stadsbewoner op zijn hoede zijn als hij voor de eerste keer met succes in effecten handelt.'

Daarnaast was het beginnersgeluk voor H. en Van J. snel op. Van J. gokte verder met opties Nedlloyd. De derde keer ging het mis. H. ging later vooral in aandelen beleggen. Hij verloor vorig jaar 126 duizend gulden met transacties in aandelen Baan.

De uitspraak is 1 april.

Meer over