Roomse zuil was werk van bisschop en pastoor

DE MAATSCHAPPIJ die tegen het einde van de vorige eeuw onder invloed van de industrialisering en modernisering in Nederland ontstond, vertoonde in vergelijking met andere landen een eigenaardig karakter....

Om de gelovigen te beschermen tegen de gevaren van de moderne tijd deden katholieken en protestanten twee machtige bolwerken verrijzen, waarvan de invloed zich uitstrekte tot vrijwel alle terreinen van de samenleving.

Aan de bron van deze ontwikkeling stond de calvinistische dominee Abraham Kuyper. Eerder en scherper dan zijn tijdgenoten besefte hij welke eisen de nieuwe tijd stelde. Wie de positie van het christendom tegen het moderne heidendom in al zijn gedaanten - van liberalisme en socialisme tot moderne theologie - wilde versterken, zou zich van moderne middelen moeten bedienen.

En zo legde Kuyper vanaf 1870 de basis niet alleen van de Antirevolutionaire Partij, de eerste moderne politieke formatie in Nederland, maar ook van een eigen universiteit, eigen kranten en tijdschriften, vakbonden, jeugd- en vrouwenorganisaties.

De katholieken, die ondanks hun numerieke sterkte al eeuwenlang buiten de politieke macht werden gehouden, volgden het voorbeeld van de orthodoxe protestanten. Met een beroep op traditionele religieuze waarden en normen voerden zij vervolgens tezamen een verbeten strijd voor de gelijkstelling van het bijzondere onderwijs, het recht op eigen sociale en culturele organisaties en een vergaande beteugeling van de openbare zeden. Daarbij richtten zij hun pijlen in eerste aanleg vooral op de liberalen en verlichte protestanten, die op allerlei gebieden de lakens uitdeelden; in deze zin was er dus ook sprake van sociale emancipatie.

Het proces dat door de orthodoxe protestanten en de katholieken in gang werd gezet, wordt sinds jaar en dag aangeduid als 'verzuiling'. Zowel de katholieke als de protestantse zuil legde zich toe op de vorming van een sterk naar binnen gekeerd en afgebakend complex van organisaties op de meest uiteenlopende gebieden van het maatschappelijk leven, van kerk en politiek tot aan sport en media. Tot de jaren zestig van deze eeuw zou meer dan de helft van de bevolking met hart en ziel verbonden zijn met een van deze twee levensbeschouwelijke zuilen. Het gaf de Nederlandse samenleving in vergelijking met andere Europese landen een heel eigen karakter.

Dat laatste kan niet gezegd worden van de socialistische beweging. Ondanks het feit dat zij met haar wijdvertakte netwerk van organisaties de trekken van een zuil vertoonde, is de benaming 'socialistische zuil' in zekere zin misleidend. De Nederlandse socialisten deden immers niets anders dan hun kameraden in Duitsland, Oostenrijk of de Scandinavische landen. Er valt dus heel wat voor te zeggen de term 'zuil' te reserveren voor de confessionele bolwerken. De term heeft zijn nut vooral bewezen als instrument voor de analyse van de bijzondere politieke en maatschappelijke verhoudingen in Nederland vanaf het einde van de negentiende eeuw.

De katholieke zuil, die in essentie rustte op het gezag van de kerk, is altijd beschouwd als de meest voorbeeldige in haar soort. Weliswaar werden rond de eeuwwisseling ook in andere landen organisaties en partijen opgericht om de groeiende sociale tegenstelling en verlokkingen van de moderne wereld het hoofd te bieden, maar nergens leidden deze initiatieven tot zo'n brede en hecht aaneengesloten beweging. Buitenlandse katholieken sloegen de ijver en discipline van hun Nederlandse geloofsgenoten dan ook met bewondering en verwondering gade, terwijl de niet-katholieken in het land zich zorgen maakten over de groeiende macht van dit kinderrijke volksdeel.

De terugkerende publieke manifestaties van een triomfantelijk zelfbewustzijn konden echter niet verhullen dat de katholieken lange tijd niet of nauwelijks in staat waren hun positie als grootste partij werkelijk inhoud te geven. Pas na de oorlog, toen de KVP onder leiding van Romme in zee ging met de PvdA, zou daarin verandering optreden. Romme, die in sociaal opzicht bepaald hervormingsgezind was, leunde sterk op de katholieke vakbeweging en een opkomende middenklasse en slaagde er zo in de traditionele belangentegenstellingen in zijn partij naar de achtergrond te drukken.

Dat was zijn voorgangers nooit gelukt. De voorloper van de KVP, de Staatspartij, ging gebukt onder scherpe interne sociale, economische en regionale tegenstellingen. In veel belangrijke kwesties wist de partij haar aanhang niet op één lijn te krijgen en dat kwam haar positie in de nationale politiek uiteraard niet ten goede.

Hoezeer de roomse eenheid was opgelegd, laat Jos van Meeuwen zien in zijn proefschrift over de politieke emancipatie van de katholieke arbeiders. Alleen onder aanhoudende druk van kerkelijke zijde - van de plaatselijke pastoor tot het bisschoppencollege - kon de katholieke eenheid worden gerealiseerd en instandgehouden. Ook het gedrag van de Kamerleden vroeg om een harde hand, zoals blijkt uit de termen waarin het optreden van de 'sluwe priester der Opportuniteit' Nolens is gekarakteriseerd. Hij zou de fractie in de jaren twintig op 'ongenaakbare', 'ijskoude' en 'autoritaire' wijze hebben geleid.

De katholieke eenheid was geen Unio Mystica, geen voorbeschikte of 'natuurlijke' zaak, zoals de traditionele katholieke geschiedschrijving het altijd heeft doen voorkomen, aldus Van Meeuwen. Het had wel degelijk anders kunnen lopen. In zijn proefschrift, dat de veelzeggende titel Lijden aan eenheid draagt, laat hij zien hoe de politieke integratie van katholieke arbeiders herhaaldelijk stuk dreigde te lopen op de onwillige houding van het rechterdeel van de roomse zuil. De sociale organisaties werden geconfronteerd met felle aanvallen en haar leiders waren onderwerp van spot; hun verlangens werden niet dan met de grootste tegenzin ingewilligd.

Want dat de eis van de arbeidersbeweging om opgenomen te worden in de bestaande katholieke verbanden niet kon worden genegeerd, was de elite wel duidelijk. Door de geleidelijke uitbreiding van het stemrecht, gevolgd door de invoering van het algemeen kiesrecht, was zij immers ook afhankelijk van dit deel van de bevolking. Er moesten dus concessies worden gedaan, genoeg althans om de arbeiders ervan te weerhouden hun eigen weg te gaan.

Tegelijk moesten hun voormannen voldoende ruimte krijgen om hun rol als onmisbare schakel tussen de politieke partij en het arbeiderselectoraat naar behoren te kunnen vervullen. De kerkelijke leiding bemiddelde in dit moeizame proces, veelal op afstand, soms evenwel door hard en direct in te grijpen. De arbeiders trokken daarbij meestal aan het kortste eind.

Het streven naar eenheid van alle katholieken werd niet uitsluitend gedicteerd door politieke en economische drijfveren, zoals de beheersing van de arbeidersklasse en de katholieke machtsvorming in de lokale en nationale politiek, maar ook door religieuze en morele motieven. De idee van samenwerking van kapitaal en arbeid werd met religieuze argumenten verdedigd, zoals het socialisme en het liberalisme met hun opvattingen over de menselijke autonomie werden afgewezen als strijdig met het katholicisme. En het waren juist deze religieuze opvattingen, op basis waarvan de katholieke arbeiders zich soms morrend, maar steeds uit volle overtuiging, voegden naar de eisen van de katholieke eenheid. In die zin 'leden' zij, brachten zij een offer.

Hoewel deze ontwikkeling al voor de oorlog uitmondde in de integratie van de arbeidersorganisaties en hun leiders in de Staatspartij en de zuil, lijken veel katholieken pas na de Tweede Wereldoorlog, met het aantreden van Romme als partijleider, het gevoel te hebben gehad ontsnapt te zijn aan wat hun socialistische tegenstanders 'de dictatuur van het coalitie-kapitalisme' noemden. Dat gevoel hield stand tot de jaren zestig, of, preciezer gezegd, tot de Nacht van Schmelzer in oktober 1966, toen de KVP het progressieve coalitiekabinet onder leiding van haar partijgenoot Cals naar huis stuurde.

De vakbeweging trok daaruit haar conclusie en verbrak - naar zou blijken voorgoed - de innige band met de partij. Dat kon nu ook, want de tijden waren veranderd. De samenleving was veranderd, in de kerk waaide een andere wind en de zuil viel langzaam uiteen. Kort daarop zou het zelfs tot een fusie met de socialistische vakbeweging komen, waarmee het fenomeen 'katholieke arbeider' zich feitelijk oploste.

Met de gedachte dat de katholieke eenheid niet als een natuurlijk gegeven, maar als het resultaat van een pijnlijk en moeizaam proces moet worden beschouwd, blijkt Van Meeuwen zich een vruchtbaar uitgangspunt te hebben verschaft. Het biedt hem een handvat om de rijke oogst aan oudere literatuur en bronnen te 'herschrijven' en zo los te komen van het vertrouwde finalististische geschiedbeeld. Daarvoor in de plaats stelt Van Meeuwen een alleszins heldere en bevredigende analyse. Erg levendig is het boek niet; daarvoor is Lijden aan eenheid te veel een organisatiegeschiedenis, met hoofdrolspelers die bijna inwisselbaar zijn.

Meer over