Ronduit smerig, en daarom fascinerend

De combinatie van zachtheid en schoonheid, met voor een vrouw ongekend grove, brutale humor, maakt haar werk fascinerend absurdistisch.

Tala Madani: The Jinn.

In: Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, t/m 5 februari. smba.nl

De wensgeest Aladdin is een djinn. Maar ook Satan is een djinn - een onzichtbaar magisch wezen met vele eigenschappen, dat figureert in zowel Arabische sprookjes en verhalen, als de Koran.

Voor de Iraans-Amerikaanse kunstenaar Tala Madani (1981) is de djinn een dik, boeddha-achtig mannetje dat er onschuldig uitziet, maar dat niet is. Hij zit als een boze dwerg op zijn in lang zwart gewaad gehulde slachtoffer, of huist als een gekooide wildeman in zijn buik.

Madani, die nu in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam in tekeningen en een enkele animatie een solotentoonstelling wijdt aan de djinn, is al een tijdje in opkomst. Opgeleid in Amerika en aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, werd zij in 2009 door kunstfenomeen Charles Saatchi gekozen voor de groepstentoonstelling Unveiled: New Art from the Middle East. Werk van haar was te zien op de afgelopen Biënnale van Venetië, en onlangs bij He disappeared into complete silence, in De Hallen in Haarlem. Ook is ze een van de kanshebbers van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs, waarvan de winnaar dit voorjaar bekend wordt.

De solotentoonstelling van Madani in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam is onderdeel van het project '1975'. Dat op tal van manieren aandacht aan kunst in de postkoloniale wereld besteedt, met onderwerpen als migratie, beeldvorming en 'transnationalisme'.

Wat Madani betreft werpt in eerste instantie het onderwerp ander licht op een figuur, die westerlingen vooral zien als een kinderlijk fantasiewezen. Madani toont hem in een volwassen gedaante, namelijk als zinnebeeld van alle emoties die krioelen onder het flinterdunne laagje van menselijke beschaving, zoals boosheid, jaloezie, angst en lust.

Daarbij is haar manier van tekenen een smeltkroes van oosterse en westerse invloeden. In enkele lijnen en vlekachtige vlakken, in luchtig zwart-wit of lonkend zuurstokroze, zet zij een complete voorstelling neer. Die poëtische, zoetgekleurde stijl, waarin losjes de schoonheid van het kalligraferen doorschemert, botst keihard op de bruutheid waarmee zij haar verhaal vertelt.

Zo wordt een zwevende, bebaarde man grof doorspiest door de boeddha-djinn, of is een stripachtig, hol figuur druk in gesprek met zijn bloederige darmen op de tegenovergelegen zetel.

Niet voor niets zijn de Amerikaanse undergroundstripheld Robert Crump en de door lichaamssappen bezeten Paul McCarthy haar voorbeelden. Net als zij houdt Madani van ronduit smerig, van een man die met een klodder poep aan zijn billen vlucht voor een bebloede tampon, van een dwerg die als een penis sperma spuugt.

Juist die combinatie van zachtheid en schoonheid, met voor een vrouw ongekend grove, brutale humor, maakt haar werk fascinerend absurdistisch.

Maar net als bij Paul McCarthy is het werk van Madani meer dan viezigheid alleen. Opmerkelijk genoeg komt in Madani's universum geen vrouw voor. Naast de djinn zelf zijn alle door de djinn lastiggevallen figuren mannen. Machteloze, zielige figuren zijn het, als idioten te kijk gezet. Het is de ultieme wraak van een vrouw die als kind opgroeide in een vrij land en als volwassene moet aanschouwen dat in haar vaderland mannen van vrouwen tweederangsburgers hebben gemaakt.

undefined

Meer over