Romantiekgek in grijzemuizenland

Na de beurskrach storten ex-speculanten zich nu 'vol gas' op 19de-eeuwse kunst, signaleert kunstmakelaar Peter Albricht. Als hij schilderijen niet wil verkopen, maakt hij ze gewoon duurder....

ALS bij toverslag zijn drie, vier zalen van Slot Zeist deze zondagmiddag gevuld met het vrijetijdsuniform van de Nederlandse chic. Het mantelpak, de plooirok, de diadeem en de parelketting geven acte de présence, geflankeerd door de loden jas, de ribfluwelen pantalon met omslag en de choker. De radiotips van Meta de Vries zijn als evangelie ingedronken. Trappen kraken onder verwachtingsvol geroezemoes.

In blazer ontvangt de rijzige gastheer felicitaties, vergezeld van een meegebracht boeket, een fles wijn. Het is zijn party. Een party van 19de-eeuwse romantiek, Hollandse impressionisten en klassiek-modernen. Ruim honderd schilderijen heeft hij hangen en het duurste (Herfstboom van Leo Gestel) is meteen al voor een miljoen gulden verkocht. Discreet staat kunstmakelaar Peter Albricht bezoekers te woord ('dat aquarelletje komt op 19 duizend mevrouw'), bezoekers die in sommige gevallen nog niet heen zijn over de kater van wat een groot feest had moeten worden. Het feest van sterk gestegen aandelen.

Na de verdoving door de recente beurskrach is beleggend Nederland weer wat opgekrabbeld. Credo: beleggen is uit, kunst is in; 19de-eeuwse kunst, want de 17de eeuw is immers glansrijk uitverkocht. 'Toen de beurs ging wankelen, vertoonde een groot aantal particuliere beleggers vluchtgedrag ten opzichte van Wall Street en Damrak', zegt Peter Albricht. 'Die lui zijn vol gas in de kunst gegaan.'

Gevolg: recordprijzen bij veilinghuizen als Christie's en Sotheby's. Een doek van romanticus B.C. Koekoek steeg van 350 duizend gulden naar 1,3 miljoen. Daags nadat het NOS-Journaal over de nieuwe kunstgekte berichtte, werd bij de redactie een megataart bezorgd met de tekst: 'Als B.C. Koekoek dit eens geweten had.' Afzender: Peter Albricht te Velp, 25 jaar kunsthandelaar. Onder beter gesternte had zijn jubileumtentoonstelling Kunst als passie niet geopend kunnen worden.

Een cd'tje van Art Blakey & The Jazz Messengers lag al startklaar als achtergrondmuziek, maar toen Albricht de schare sjaaltjes en parelkettinkjes overzag, koos hij voor de zekerheid toch maar Pia Beck. Om potentiële kopers niet af te schrikken. Albricht kent zijn pappenheimers. Albricht kent de markt, de gevoeligheden. 'Het percentage kunstverzamelaars is nu veel groter dan in de Gouden Eeuw. Babyboomers hebben geld en kennis. Die vertonen een zeker pronkgedrag.'

Pronken met wintergezichten en ijstaferelen, fotografisch gepenseeld door Andreas Schelfhout? Of paarden tegen het decor van onweerslucht (Verschuur)? De romantische school grossierde in grazende koeien, vissers in de branding, molens, kerktorens, bloemstillevens en poesjes. 'Allemaal hapklare brokken voor dit publiek', weet een rondleider. 'Ze kunnen er niet genoeg van krijgen.'

Maar Albricht heeft tevens Mesdag, Israels en Breitner in de aanbieding; Jongkind ook, Monet-epigoon. En luminist Jan Sluijters zelfs zestien maal. 'Prachtig hè, die mevrouw Sluijters', hoorde Albricht een dame uitroepen.

'Ze keek naar een naakt en ik zeg nog tegen haar: 'Pardon, het is niet mevrouw Sluijters.' ''O'', zei ze, ''schildert Sluijters zelf ook?'' Daar zakt toch je broek van af? Ze was helemaal in Laura Ashley gekleed. Hoedje, verkeerde ketting. En dan denk ik: arme drommel. Dan heb ik medelijden met zo'n man aan d'r arm.'

Kunst is statusverhogend, doceert Albricht, terwijl een beschaafde pianomedley door zijn Velpse villa De Beukenhaege kabbelt: I'm in heaven. Toepasselijk, want Albricht is zo niet in de zevende hemel, dan toch zeer in zijn hum. Want vandaag een Sluijters van drieënhalve ton verkocht, met als toegift een romantisch doekje van 25 mille. De verkoopscore is een kwestie van tijdgeest. 'Je kunt de jaren negentig zien als een moderne Renaissance. Dat blijkt ook uit museumbezoek.

'Zie de onthullende cijfers. Sinds 1965 steeg het aantal museumbezoekers in de VS van tweehonderd miljoen naar vijfhonderd miljoen. Japan kreeg er in een kwart eeuw tweehonderd musea bij. Duitsland bouwde in tien jaar driehonderd musea en in Engeland wordt iedere achttien dagen een museum geopend. In mijn jeugd was het museum toch iets van stofjassen in een crematorium? Nu staat het zwart bij een Van Gogh-expositie. Dus ik zeg: wil je veilig beleggen, kies dan kunst.

'Wie zich tien jaar geleden een Ferrari voor zeveneenhalve ton aanschafte, krijgt er nu nog 150 mille voor. Maar de Negerin met rode hoed van Jan Sluijters, die ik tien jaar geleden voor 150 duizend gulden kocht, is nu vijf keer zoveel waard. Onze branche is zo safe als de bank van Engeland. Toen Wall Street in 1987 in elkaar klapte, beleefde de kunsthandel een hausse door vluchtgedrag uit aandelen in kunst. Je kreeg een contrair prijseffect: naarmate de prijzen stegen, nam de vraag juist toe.'

Zelf aandelen gehad, Albricht? Schaterlach bij whisky on the rocks. Hij kreeg er buikpijn van. Hartritmestoornissen. 'Ik ben een kneus eerste klas op dat gebied. Ik had een adviseur maar die wist het kennelijk ook niet toen het erop aankwam. Aandelen zijn neurotisch bezit. De ene dag vijfhonderd puntjes omhoog, de andere dag vijfhonderd puntjes omlaag, dat is slecht voor de nachtrust. Met kunst heb je die onrust niet. Kunst is niet fluctuerend. Heb je een aandeel Koninklijke Olie ooit zien lachen? Op schilderijen zie je spelende kinderen die je toelachen. Vrouwelijke naakten die lonken.'

Aandelen, bromt Albricht, blijken van de ene op de andere dag te worden gesplitst. 'Dan wordt je vermogen zomaar doormidden gedeeld. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een schilderij opeens nog maar de helft waard is. Kunst kopen is continu genieten van een waardevol, rustgevend stuk schoonheid. Een heel gezond bezit. Je geniet er trouwens twee keer van. Je geniet ook nog eens een keer van je belegging op termijn.'

Zo te horen kan Peter Albricht op zijn 59-ste eigenlijk meteen een wervend radioprogramma beginnen à la Willem Duys, die hij zeer bewondert. Hij protesteert gevleid. 'Ik ben opgegroeid met stillevens. Van moederskant zaten er nogal wat artsen in de familie, en die kregen als honorarium niet zelden een schilderij. Ik ging die dingen zitten natekenen, een leraar op de hbs vond zelfs dat ik talent had. Die zei: je moet naar de kunstacademie. Maar mijn vader was jurist en in een academisch milieu was het onderwerp onbespreekbaar. Kunst had immers geen toekomst.'

Een vrijetijdscursus aan de academie was nog nét toegestaan, mits hij economie ging studeren. 'Ik was voorbestemd bij Akzo onder een miljoen neonlampen een prachtige carrière als balanslezer tegemoet te gaan. Ik moest naar de universiteit, maar ik had er niks mee.' Eerder bleek de dienstplicht als reserveofficier bij de marine geen succes. 'Ik zat op een mijnenveger en was voornamelijk zeeziek. Ik zat altijd met m'n kop in een emmer. Nederland was toen in oorlog met Indonesië over Nieuw-Guinea en ik werd in Den Haag assistent hoofd van de codekamer, alles top secret.

Als student in Amsterdam bloeide Albricht op bij 'de romantische Oudemanhuispoort met boekenstalletjes en broodjeszaken om de hoek'. Veilinghuis Mak van Waaij was er schuin tegenover en op kijkdagen liep hij binnen, af en toe per ongeluk de vinger omhoogstekend als tijdens een veiling niemand bood. 'De pecunia had ik niet, maar ik had wel bijbanen. Als ik iets gekocht had, zat ik weer in geldnood. Ik liep eeuwig achter de feiten aan te hollen door court d'argent. Zonder het te beseffen, zat ik ineens in de kunsthandel.

'Ik was een soort hamster, ik kocht ook antiek. Ik had de negotie opgeslagen bij een vriendin. Ik kocht wat ik mooi vond, puur voor mezelf. Later kwamen er antiquairs aan de bel trekken of ik wilde verkopen. Dat wilde ik eerst helemaal niet. Maar we zaten inmiddels in de jaren zeventig, met een enorme inflatie en een hoge rente. Daardoor waren de prijzen gigantisch gestegen en kon ik mooie winsten krijgen voor mijn voorraad. Ik zocht het toen al in de 19de eeuw.

'De 17de eeuw was me te ondoorzichtig, te mysterieus. Daar kan ik als vrij exact ingesteld persoon niet goed mee leven. Bij 19de-eeuwers weet je: het is 'm, of het is 'm niet. Ik heb wel mensen die me foto's opsturen van vervalsingen. Die verscheur ik en gooi ik weg. Dan worden ze boos dat ik de foto niet terugstuur. Maar als ik die foto terugstuur, gaan ze ermee naar een ander, die misschien niet ziet dat het om een vals schilderij gaat.'

Explosieve beleggingen in de kunst: in 1990 was er al sprake van. Hoe ver gaat de gekte nu?

Albricht zegt: 'Het pensioenfonds van de Britse spoorwegen investeerde in 1974 voor zes miljard pond in schilderijen. En in 1990 hebben ze de hele hap geliquideerd voor 53 miljard pond! Enorm goeie investering. Volgens mij staan we nu opnieuw aan de vooravond van zo'n zelfde booming marktsituatie. Alleen hebben veel beleggers hier de helderheid van geest nog niet, ze laten kansen onbenut.

'Vergeleken met Frankrijk, waar banken kunstfondsen bezitten, leven we in Nederland ten opzichte van de kunstwereld eigenlijk nog gewoon in Staphorst. In Amerika en Frankrijk kopen liefhebbers, behalve om de schoonheid, kunst als douceurtje voor de oude dag. In Nederland koopt men alleen als men het zich kan permitteren.'

De klant die onlangs een miljoen neertelde voor een Gestel, is de voorzitter van een raad van bestuur. Vroeger bestond een kleine tachtig procent van Albrichts cliëntèle uit de medische stand. 'Maar artsen zijn enorm gekort. Captains of industry hebben hun plaats ingenomen, met onze Nederbelgen voorop. Interessante groep. Voor de rest blijft Nederland nog steeds een goedkoopte-eiland. Als wij praten over een schilderij van acht ton, vinden we dat een enorm bedrag. Maar het meest krakkemikkige schilderij van Renoir, dat ie schilderde toen ie bijna stekeblind was, brengt miljoenen op.

'Dat heeft te maken met het feit dat Amsterdam niet in Frankrijk ligt. Wij zijn een beetje achtergebleven. Nederland heeft ook nooit veel aan promotie gedaan. Behalve met Van Gogh misschien, maar de Fransman denkt dat Van Gogh Frans is, Van Dongen idem dito en Mondriaan werd zelfs als Mondrian geschreven. De enige waar ze niet omheen kunnen, is Rembrandt. Wij zouden hier de kunst fiscaal aftrekbaar moeten maken, om ons nationaal erfgoed te beschermen. Hoe wil je anders voorkomen dat topstukken naar het buitenland verdwijnen?'

Terwijl zijn rechterhand Willie gedienstig hapjes brengt, definieert Albricht kunst graag als een lonkende vrouw die verleid wil worden. Die beeldspraak bevalt hem zeer, en hij vervolgt na een effectpauze lyrisch: 'De kunst wil bemind worden, maar nooit getrouwd zijn! Dat is ook het bestaansrecht van de kunsthandel.' Trouwens, je kunt beter een mooi schilderij kopen van een kleine meester, dan een maandagochtendschilderij van een grote meester. Maandagochtendschilderij?

'Ja, kunstenaars hadden hun zwakke werken moeten vernietigen. Als een violist een foute noot speelt, speelt ie hem toch ook overnieuw? En wanneer een wijnhandelaar een bedorven fles wijn levert, komt ie

's avonds op zijn fiets een nieuwe brengen, als het goed is. Maar een kunsthandelaar denkt: dit schilderij is wel niks, maar de naam is goed, dus ik vraag de hoofdprijs. Nou, ik doe niet in maandagochtendschilderijen. Daarom zeggen mensen dat ze mijn tentoonstelling mooi vinden. Dat geeft voldoening. Net zoals je op het toneel staat en je krijgt een mooie recensie. Het is een heel hartstochtelijk vak, als je het goed wilt doen.'

Zonder een cent begonnen. Nooit steun van thuis gehad, ben je mal. 'Ik ben van alles geweest. Banana's Royal gemaakt in een ijssalon. Fotograaf geweest. Chauffeur. Ik was beer in een dierentuin die in zo'n namaakvel met groepen kindertjes op de foto moest. Ik heb contrabas gespeeld in een moderne jazzgroep die in allerlei etablissementen speelde om een centje te verdienen. Alleskunner was ik, ten koste van mijn nachtrust.'

Zijn hele leven rusteloos op schilderijenjacht: 'Ik ben een rechercheur, een Sherlock Holmes op kunstgebied.' Albricht weet waar de stukken zitten, door connecties met verzamelaars. 'Ik zeg wel eens: in deze tijd van vervlakking komt voor iedere viool een gitaar terug. In mijn vak zie je dat ook. Er zijn zogenaamde handelaren die het niet uitmaakt of ze auto's of varkens verkopen. Die hebben geen kunst, maar poen als passie.

'Je hebt ook de nieuwe rijken met de smaak van een olifant. Die zien kunst alleen als status. Er kwam eens zo iemand bij me die zei: ''Ik heb vijftig mille te besteden en jij moet maar zeggen hoe.'' Ik ken mensen van de benedenlaag met zuivere gevoelens voor kunst, maar ook de grootste blaaskaak uit de upperclass. In de gang hangt het portret van mijn grootvader, die stadsgeneesheer van Soerabaja was. Die man zou zich in hun graf omdraaien als hij wist dat Petertje met opgezwollen voetjes kunst verkocht in Slot Zeist.'

Dat schilderij van zijn grootvader is écht niet te koop. 'Als ik schilderijen niet wil verkopen, maak ik ze gewoon wat duurder. Dat is riskant, ik ben mezelf een paar keer goed tegengekomen. Ik heb acht vroege Van Goghs in eigendom gehad en gedacht: die doe ik nooit weg. En ik moet tot mijn schande bekennen dat ik er geen een meer bezit. Ik heb de prijs flink verhoogd en ja, toen vlogen ze ineens weg.

'Achteraf gezien', zegt Albricht later achter een hazenbout in zijn favoriete restaurant, 'had ik allang op de Bahama's kunnen wonen, gesteld dat ik dat wil, met zo'n zakkige bermuda aan.' In een bespiegelende stemming ziet hij zichzelf weer als Arnhemse scholier, twee klassen hoger dan Johnny van Doorn, die later als The Selfkicker beroemd zou worden. 'Wanneer ik met mijn vriendinnetje op een bank in park Sonsbeek ging zitten vrijen, dan kwam Johnny er gewoon bij zitten. Als ik hem vroeg om weg te gaan, bleef ie gewoon zitten. Gingen wij naar een ander bankje, dan kwam hij er daar ook weer naast zitten.

'Hij behoorde in elk geval niet tot de grijze muizen zoals bijna iedereen in dit land wordt opgevoed. Ik wou geen grijze muis worden, ik ben al vroeg in m'n eentje door Amerika en Mexico gaan reizen. Ik wilde ook nooit in loondienst. Altijd eigen baas.' Behalve dan bij voetbalclub Vitesse, waar Albricht bestuurslid was, als voorlichter optrad en 'zowat elke dag in de regionale pers stond'.

'Zelf heb in al mijn onschuld een keer de fout gemaakt een buffet voor de pers aan te richten in het middeleeuwse Sint Peter's Gasthuys in Arnhem. Ik had een fantastische tentoonstelling gemaakt, ik dacht: daar hoort een mooi buffet bij, met een lekker drankje. Ik stond daar de hele avond met al dat personeel te wachten, maar er kwam niemand, op de redactrice van het huis-aan-huis-blad Hoog en Laag na. Als mijn tent die nacht was uitgebrand, waren ze allemaal gekomen, de krantenjongens. Maar nu zeiden ze: ''U moet maar een advertentie plaatsen als u publiciteit aan uw expositie wilt geven.'' Ik had een jaar aan die expositie gewerkt.'

Stel je voor, je bent Toon Hermans en bij je try out zit er maar één recensent meneer, op de achterste rij! Ach, ze kunnen me nooit onderschoffelen, wat ze ook doen, wat er ook gebeurt.' Een jaar kon hij niet lopen na een val in een restaurant, nadat de ober te snel een stoel onder hem vandaan had getrokken. 'Soms ben ik een kasplantje, maanden uitgeschakeld door mijn zwakke rug. Maar ik kom weer overeind, ik ben een workaholic, altijd geweest. Niet erg bevorderlijk voor je huwelijk, kan ik je vertellen.'

Of het mij niet opvalt dat Peter Albricht niet goed met mes en vork kan eten? Verkeerd behandeld in het ziekenhuis, toen hij zijn arm op drie plaatsen had gebroken. 'De arts zei: ''Ik doe er maar een verbandje om, in plaats van gips''. Sindsdien kan ik ook niet meer mijn bas bespelen. Ik schenk hem aan de vader van Nello Mirando, die het beste zigeunerorkest van Europa heeft. Ik kan niks met die ene arm. Ik kan geen schilderij ophangen, ik kan hem zelfs niet ophouden om geld te vangen.'

Niet getreurd, zojuist heeft Albricht toestemming gekregen het oude gemeentehuis te kopen in Oosterbeek, ook wel bekend als 'het Gelderse Barbizon'. Met dit momument wil Albricht samen met zoon en partner Bob 'aan Oosterbeek de uitstraling geven van de kunstenaarsenclave die het ooit was, zoals Laren dat was voor Noord-Holland. Nee hoor, de grande finale is voor mij nog niet aangebroken, ik zal ze nog een stevig poepje laten ruiken.'

Om ons heen zijn alle eters vertrokken, als Albricht een nieuw flesje wijn laat aanrukken: op het succes van Slot Zeist; op alle nieuwe beleggers in 19de-eeuwse kunst. 'Een kennis zei ooit: ''Je moet eens komen kijken bij mijn vriendin. Ze heeft wat schilderijen liggen.'' Het was 35 graden, ik had niks te doen, en klom een vliezotrapje op, stootte mijn kop tegen de hanenbalken en zag wat doeken staan. Beneden zei die vrouw: ''Ik mis er eentje.'' We vonden het. Dat schilderij bleek door kinderen te zijn gebruikt als dak op een zelfgebouwde hut. Het was de beroemde Wever van Vincent van Gogh, uit z'n Brabantse periode.

'Ik heb het schilderij thuis boven de theetafel gehangen, totdat ik er een paar ton voor kreeg. En weet je wat datzelfde stuk vandaag de dag oplevert?', vraagt Peter Albricht dromerig. Hij neemt een diepe teug van zijn wijn, likt zijn lippen af en zegt: 'Een getal met zes nullen. In het kwadráát wellicht! Maar ja, that's life.'

Meer over