Romanpersonages zijn vrij

Op vrijdag 12 oktober heeft het hoogste Duitse rechtscollege, het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe, een bedenkelijke uitspraak gedaan. De Duitse schrijver Maxim Biller en zijn uitgever, Kiepenheuer & Witsch, hadden beroep ingesteld tegen eerdere uitspraken in een procedure waarbij twee vrouwen zich over Billers roman Esra uit 2003 hadden beklaagd....

De twee klagende vrouwen zeggen zich in de beide romanfiguren te herkennen en zij vinden dat onprettig. Met de jonge vrouw die aangeeft model te hebben gestaan voor het personage Esra heeft Biller een affaire gehad. De moeder meent dat de onheuse dingen die over de schoonmoeder van de verteller worden gezegd, rechtstreeks op haar betrekking hebben.

De lagere rechter gaf hen gelijk en beval de uitgever verspreiding van de roman te staken. Het boek was vanaf dat moment verboden. Ook moesten auteur en uitgever een schadevergoeding betalen.

Het Bundesverfassungsgericht heeft nu met een meerderheid van vijf tegen drie rechters geoordeeld dat de klacht van de jonge vrouw gegrond is, die van haar moeder niet. Over de schadevergoeding is nog geen finale uitspraak gedaan.

Het Hof volgt een in onze ogen curieuze redenering, maar gaat vooral over de schreef door zich een oordeel aan te matigen over een kunstwerk en de verhouding daarvan tot de werkelijkheid. De rechters menen in meerderheid dat ‘het persoonlijkheidrecht’ van de ene klaagster geschonden wordt, doordat ‘de intiemste details van een vrouw, die duidelijk als de intieme partner van de auteur herkenbaar is’ overeenstemmen met de reëel bestaande voormalige vriendin van de schrijver. Wat het Hof in feite vraagt, is meer fictionalisering dan wel een positiever beeld van de werkelijkheid.

Nog afgezien van de vraag hoe iedereen die details van de klaagster zou kunnen herkennen, als zij werkelijk zo intiem zijn, en hoe de rechters erin geslaagd zijn die zo ondubbelzinnig te identificeren, dringt de vraag zich op wat de rechters weten van de verhouding tussen een kunstwerk en de doorgaans raadselachtige en complexe inspiratiebronnen daarvan in de werkelijkheid.

In Duitsland is er terecht al op gewezen (ook in de dissenting opinions van enkele raadsheren), dat een groot deel van de Duitse literatuur op basis van dit arrest vermoedelijk nooit had kunnen verschijnen. Neem Goethes Die Leiden des jungen Werthers of de Buddenbrooks van Thomas Mann. Als degene die zich meent te herkennen in een kunstwerk het laatste woord krijgt in de kwestie of verspreiding daarvan al dan niet geoorloofd is, wordt de artistieke vrijheid ontoelaatbaar ingeperkt. Het is bovendien een slechte zaak wanneer rechters zich opwerpen als toetsende instantie voor de strikt individuele gevoelens van herkenning, in dit geval gekwetstheid door een kunstwerk. Kunstbeschouwing is een zaak van lezers, kijkers, luisteraars en critici.

Hierom en omdat tegen de uitspraak van het Hof geen verder beroep mogelijk is, willen wij protest aantekenen tegen dit historisch gevaarlijke en artistiek gesproken onzinnige arrest. De Duitse en daarmee de Europese literatuur verdienen beter dan door juridische zedenmeesters op de vingers gekeken en beknot te worden.

Meer over