Roman van de dromer Paustovskij vertaald

Konstantin Paustovskij was een dromer, iemand die, hoe lijfelijk hij ook aanwezig mocht lijken in het gezelschap van vrienden of collega's op de krant - hij werkte voor verschillende bladen in Moskou en Odessa -, er in feite nooit met zijn hoofd helemaal bij was....

WILLEM KUIPERS

Iemand als Konstantin Paustovskij leefde bij de gratie van zijn herinneringen, bijna op de manier waarop Willem Brakman dat eens - met de doeltreffende overdrijving hem eigen - onder woorden heeft gebracht toen hij zei dat hij zich de dingen al begint te herinneren op het moment dat ze gebeuren. Dat Konstantin Paustovskij, net als Marcel Proust - en uiteraard net als Brakman - zijn herinneringen is, weten de lezers die zijn uitgebreide autobiografie hebben gelezen. Door de vertalingen van zijn werk in de reeks Privé-Domein van De Arbeiderspers heeft Paustovskij in Nederland een kleine schare bewonderaars gekregen, die kennelijk gevoelig is voor Paustovskij's wijze van schrijven: een nostalgisch getoonzette intimiteit die het leven zelf (zijn leven) tot een kunstwerk maakt.

Maar Paustovskij heeft niet alleen over zijn eigen leven geschreven. Hij schreef ook verhalen en romans en het aardige is dat hij, zoals de lezer kan nagaan nu zijn roman De romantici is vertaald, op het zogenoemde fictieve gebied nauwelijks anders te werk gaat dan wanneer hij klaarblijkelijk niet fantaseert.

In De romantici is de hoofdrol weggelegd voor de jongeman Maksimov, die vanuit het zuiden van Rusland in Moskou belandt en ten slotte, na deelgenomen te hebben aan de Eerste Wereldoorlog in het grensgebied met Polen, alle ontberingen en ellende van zich af wil schudden door terug te keren naar zijn geliefde Chatidzje en zijn land van herkomst: het zuiden.

Dit verhaal is, alleen al door de verzonnen namen, een roman, opgebouwd uit drie delen: eerst de Sturm und Drang van een stel vrienden in Kiëv. Dan Maksimovs tijd in Moskou te midden van journalisten en intellectuelen en vervolgens zijn belevenissen aan het front, een des te gruwelijker hoofdstuk omdat Maksimov in geen enkel opzicht toegerust lijkt voor de verschrikkingen die hij daar als soldaat het hoofd moet bieden. Net als zijn vrienden is Maksimov een romanticus, een hemelbestormer, innerlijk verscheurd door het verlangen deel te nemen aan het leven (reizen, de wereld in) en tegelijkertijd beheerst door de gedachte dat hij moet schrijven (en het naïeve idee dat hij pas kan schrijven als hij voldoende geleden heeft).

Twee vrouwen, Chatidzje, zijn jeugdliefde, en Natasja, een Moskouse actrice, symboliseren deze wankelmoedigheid van Maksimov ook op een ander vlak: hij kan niet werkelijk kiezen tussen beiden. Uit zijn verhouding tot zowel Chatidzje als Natasja ontstaat de gecompliceerde liefdesgeschiedenis die van De romantici een roman heeft gemaakt die de tijd overleeft.

De romantici is het eerste boek dat Paustovskij schreef. Volgens zijn zoon Vadim, die een nawoord aan deze editie heeft toegevoegd, begon hij eraan toen hij twintig was en heeft hij er wel twintig jaar aan gewerkt, hoewel hijzelf beweerde dat hij in 1916 ging schrijven en het manuscript in 1923 voltooide. Maar volgens Vadim is hij er tot halverwege de jaren dertig, toen het boek voor het eerst in druk verscheen aan blijven werken.

Paustovskij had geen haast, ook al omdat hij geen zin had zijn boek te laten neersabelen door een kritiek die zich conformeerde aan de van staatswege opgelegde normen, die inhielden dat romans moesten gaan over 'de revolutie, de burgeroorlog, de industrialisatie, de collectivisatie en de bedwinging van de natuur'.

Paustovskij negeerde zulke oekazen. Hij schreef over 'het volle leven', zoals hij dat aan den lijve had ervaren en je hebt de uitleg van zijn zoon Vadim niet nodig om te begrijpen dat hij al in zijn eerste roman autobiografische wegen insloeg. Het is curieus om Vadim te horen zeggen dat Maksimov eigenlijk Paustovskij was en Chatidzje eigenlijk zijn moeder (terwijl in die andere geliefde, Natasja, verschillende vrouwen uit het leven van Paustovskij zijn versmolten), maar het doet er niet zoveel toe als je weet dat Paustovskij onontkoombaar het type schrijver is dat alleen uit zijn herinneringen put. Het gaat om de manier waarop hij dat doet, zijn stijl, en die is, ook in dit eerste 'onrijpe' boek van een meeslepende, poëtische kracht.

Wim Hartog heeft het dienovereenkomstig vertaald, al zou een alerte eindredacteur een paar vreemde dingetjes in de tekst (redacteurs, directeurs, 'hij ging te keer op zijn beroep', 'De Russische literatuur van de vorige eeuw is een gegarandeerd middel om migraine te krijgen', taverne in plaats van taveerne, 'ze preste de binnenkant van mijn handen' en zo voort) hebben gewijzigd (AP, ¿ 29,90).

Ook het tweede boek van de Turkse auteur Nâzim Hikmet dat in vertaling verschijnt, heet De romantici, - een merkwaardige coïncidentie. Van Hikmet werd in 1995 het grote epos Mensenlandschappen gepubliceerd en sindsdien mag hij rekenen op een belangstelling, die er eerder voor deze communist niet was (al vertaalde Theun de Vries fragmenten van zijn werk). Ook dit boek is een nauwelijks verhulde autobiografie. Hikmet beziet zijn leven tijdens de Turkse onafhankelijkheidsstrijd door de ogen van zijn alter ego Ahmet, een wat naïeve jongeman, die uit pure rechtvaardigheidsgevoelens partij kiest voor de marxisten in zijn land, deelneemt aan de strijd in Anatolië en in Moskou gaat studeren. Zijn liefde voor de eigenzinnige Anoesjka kleurt op een poëtische manier de politieke inhoud van dit boek, waaraan nooit in frasen of dogma's recht gedaan wordt.

Wie Mensenlandschappen gelezen heeft, weet dat Hikmet zo niet te werk gaat. Juist zijn oog voor individuele lotgevallen en zijn compassie met de mensen om hem heen - die hun verzet tegen de wispelturige autoriteiten zwaar moeten bekopen - dwingen de lezer door de oppervlakte van dit stuk Turkse geschiedenis heen te kijken, waarbij - dat moet ik wel zeggen - de ontbrekende kennis van die geschiedenis tegelijkertijd een beletsel vormt om je volledig in dit relaas te kunnen verplaatsen. Hikmet schrijft uiterst boeiend, en de vertaler Wim van den Munkhof valt geloof ik weinig te verwijten, maar echt geraakt werd ik niet door dit laatste boek van deze bijzondere, zo westers-georiënteerde dichter (De Geus, ¿ 39,90).

Herinneringen kleuren ook het debuut van Leon Gommers (Heerlen, 1958), herinneringen aan Limburg, aan café-bezoek met zijn vader, aan mijnwerkers en 'Polakken', herinneringen aan sadistische padvinders, herinneringen kortom aan een jeugd, die boven komen als de verteller van dit verhaal aan boord van zijn schip, of passagierend aan de wal er eens rustig voor gaat zitten. De hondewacht heet Gommers' roman en wie hem gaat lezen, zal merken dat als iemand het van zijn stijl moet hebben, het Leon Gommers wel is. De manier waarop hij schrijft is er een van zinnetjes die met hun nadrukkelijk ingehouden pathetiek wel enigszins aan Jeroen Brouwers doen denken. Dat gaat zo:

Of ik zeeman ben, zo ja? waar vandaan. . .

Op zee ben ik.

Maar ik ben geen zeeman in de zin van vastberaden een te bedwingen zee toegenegen want ik dwing niets of niemand en ik weet van de dwang meer dan enig ander schepsel.

Meer ben ik een overnachtelijke opstapper uit het noordelijke. En zo ben ik inmiddels heel erg lang aan de vaste wal, zoiets ja. . .

Dit laatste denk ik allemaal.

Dit laatste spreek ik nooit uit.

Het uitspreken van verontruste gedachten rakelt mijn eigen, altijd smeulend werkelijk besef te zeer op. Daarna klinkt slechts de zang van mijn onbegrepen zelfverbanning. En toevallige luisteraars gaan, zodra ze mijn naakte gezicht, zonder weerstand, zien, onrustig draaien.

Dan dreutelen ze wat op de plaats.'

En zo voort, en zo verder. Je kunt dat 'stijl' noemen, je kunt er ook de kwalificatie 'zeuren' aan verlenen. De hondewacht verscheen bij De Bezige Bij (¿ 39,50).

Ook Pamela Koevoets, schrijfster van de verhalenbundels Ode en Arme engelen en de roman Bazen en slaven, kan zeuren. In de verhalen die zij samenbracht onder de titel Schaduwboksen stopt zij weer een groot gevoel voor 's mensen kwetsbaarheid (en dientengevolge gevoelsmatige verwarring) in zinnen die, al of niet poëtisch bedoeld, suggestief lijken, maar in feite tamelijk onbeholpen zijn geformuleerd. Ik ben er niet zo voor om aan de hand van citaten iemands stijl te laten zien (want stijl is méér dan een kwestie van zinnetjes) maar in het geval van Koevoets is het wel illustratief.

In het titelverhaal van deze bundel - waarin een moeder tijdens een vredesdemonstratie bij een legerplaats haar kinderen kwijtraakt, wat doet zo'n mens daar ook vraag je je af - vind je aan het eind deze passage: 'Ze schuifelde nog even rond, ging toen zitten, doodmoe opeens. Jaloers keek ze naar een jong meisje met kort stekelig haar dat vlak voor het podium met een in een oranje zijden kleed gehulde jongen danste. De twee bewogen met onopgesmukte bewegingen tegen alle wetten van de zwaartekracht in meer boven dan op de grond.'

Tja, en dan hoeven we het vermoedelijk niet eens over al die zwaartekrachtwetten te hebben die alleen in de rijke verbeelding van Pamela Koevoets bestaan. Schaduwboksen verscheen in de vrouwenreeks Orlando van De Bezige Bij (¿ 32,50).

Pim Hofstra debuteerde kort geleden met de poëziebundel Ianus en schreef vervolgens de niet onaardige vertelling De Leeghwaters, die zowel door Maarten Biesheuvel als door Atte Jongstra geïnspireerd lijkt (AP, ¿ 22,50). Van Amy Tan is er het niet ongeestige verhaal van de Chinees-Amerikaanse Olivia en haar Chinese halfzuster Kwan die spoken ziet: De honderd geheime zintuigen (vertaald door Peter Abelsen, Bert Bakker, ¿ 39,90) en Emmanuel Le Roy Ladurie verblijdt de lezers (?) van Montaillou met De eeuw van de familie Platter, zijn uiterst gedetailleerde studie over een eenvoudige Zwitserse schaapherder, die in de tijd van de Renaissance uitgroeit tot een homo universalis (Bert Bakker, ¿ 49,90, gebonden ¿ 65,-).

Het lekkerste moet je voor het laatst bewaren en lekker zijn de Erotische romans van de 'monsterlijk lelijke' Gabriel de Mirabeau, een man die wel een 'fornicateur olympique', een 'olympische neuker' is genoemd. Vele malen werd hij dank zij een lettre de cachet van zijn vader in de gevangenis opgesloten. Als begenadigd redenaar vierde hij triomfen tijdens de Franse revolutie. Van de pornografie die hij schreef - de vertalers Corine Kisling en Paul Verhuyck noemen het anders - zijn twee voorbeelden, zijn romans Mijn bekering en Hic-et-haec, in de bundel Erotische romans (AP, ¿ 34,90) opgenomen. Niet zo grof als Sade, maar wel eenzelfde soort libertijns vermaak (dat in de achttiende eeuw zijn hoogtepunt beleefde).

Dank zij zijn taalvaardigheid weet Mirabeau er nog iets bijzonders van te maken ook en wie na al deze pruikenseks nog fut over heeft, kan bij Kisling en Verhuyck zijn licht opsteken over het wondere leven van Mirabeau (en zijn Nederlandse vriendin, Hendrikje-Amalia van Haren, de dochter van de Friese dichter en staatsman Willem van Haren). Jammer is het dat zowel de vertaling als het nawoord van Kisling en Verhuyck licht ontsierd wordt door uitdrukkingen als basisprincipes (grondbeginselen), basisgegevens (?), basisopstellingen, op basis van (op grond van) en nog meer van dit lelijks, terwijl het bijzondere van Mijn bekering nota bene 'de geaspecteerde focalisatie (wisseling van invalshoeken)' wordt geacht.

Meer over