ROEIEN TEGEN DE STROOM IN

AAN MIJN studie politicologie bewaar ik, om allerlei redenen, niet zulke geweldige herinneringen. Een van de bronnen van ergernis was de kwaliteit van het docentencorps, dat voor een groot deel bestond uit eeuwige doctorandussen, die hardnekkig weigerden een proefschrift te produceren....

De nieuwe voorzitter van GroenLinks, de journaliste Mirjam de Rijk, sprak deze week in Trouw over 'een waanzinnig verantwoordelijkheidsbesef en gemeenschapsgevoel' dat in de jaren zestig en zeventig geheerst zou hebben. Maar dat verantwoordelijkheidsbesef leidde op universiteiten vooral tot oeverloos geouwehoer en vrijblijvende oproepen tot sociale aksie. Voor serieuze wetenschappelijke activiteiten vormde het zelden een vruchtbare voedingsbodem.

Ook op dit punt lijken de tijden ten goede veranderd. In de bèta-wetenschappen is al die jaren onverstoorbaar doorgewerkt, maar nu maken ook universitaire docenten in de sociale wetenschappen over het geheel genomen een nijvere indruk. Zij schrijven in betrekkelijke korte tijd een dissertatie en achten het publiceren in internationale tijdschriften maatschappelijk relevanter dan het meelopen in vredesmarsen.

De heersende 'publish or perish'-mentaliteit past bij de academische verzakelijking, waarbij ook het concept van de ondernemende universiteit nauw aansluit. Die zou volgens dit modieuze idee veel meer dan voorheen mensen moeten klaarstomen voor een succesvol functioneren op de arbeidsmarkt. Zo geeft de Universiteit Twente studiepunten voor het opzetten van bedrijfjes.

Daarnaast dient de universiteit zichzelf in toenemende mate te gedragen als een onderneming en winst te maken door commerciële activiteiten. De Universiteit van Amsterdam bijvoorbeeld telt inmiddels al zo'n vijftien universitaire BV's, zelfstandige ondernemingen met activiteiten die zijn opgenomen in de UvA Holding.

Dit verschijnsel wordt toegejuicht door beleidsmakers, die het prettig vinden dat de universiteiten zichzelf leren bedruipen en daarom minder gemeenschapsgeld behoeven. Ook de minister van Onderwijs spreekt met waardering over de vermarkting van de universiteit. Dat spreekt haast vanzelf, omdat liberalen zoals Hermans het marktmechanisme als een dynamische en positieve kracht plegen te beschouwen.

Maar de minister heeft geestverwanten die zich afvragen of het wel zo verstandig is de universiteit over te leveren aan de tucht van markt. In NRC Handelsblad betoogden de liberale ideologen Groenveld en Van Schie bijvoorbeeld dat de opkomst van de ondernemende universiteit een bedreiging vormt voor de wetenschap. En in Trouw wees de liberale rechtsfilosoof Kinneging erop dat een gerichtheid op de waarheid, in onderzoek en onderwijs, niet te verenigen valt met een gerichtheid op de markt. Daar geldt immers het adagium 'u vraagt, wij draaien', dat zich slecht verdraagt met de intellectuele onafhankelijkheid die een ware wetenschapsbeoefenaar kenmerkt.

De VVD'ers die zich tegen de opmars van de markt in de academische wereld verzetten, refereren graag aan het klassieke Bildungs-ideaal van de Duitse liberale denker Von Humboldt, die de universiteit zo veel mogelijk wilde vrijwaren van druk van buitenaf. Al gauw krijgen ze daarom het verwijt dat ze terug willen naar de negentiende eeuw en een ideaalbeeld propageren dat slecht past in de moderne tijd.

Het is inderdaad zo dat de Humboldtianen tegen de maatschappelijke stroom oproeien. Maar hun unzeitgemässe kritiek op de evolutie van de universiteit snijdt zeker hout. Academische vorming, schrijven Groenveld en Van Schie terecht, dient ertoe de blik te verbreden, en distantie en gezonde scepsis te creëren.

Studenten die hun intellectuele nieuwsgierigheid willen bevredigen en een brede intellectuele vorming willen ondergaan, mogen niet in de steek worden gelaten door universiteiten. Voor een praktijkgerichte opleiding bestaat er het hoger beroepsonderwijs. Een universiteit BV die handige ondernemertjes wil kweken, heeft geen recht op het predikaat wetenschappelijk onderwijs.

Er zijn meer bezwaren. Doordat de universiteit zich als commercieel bedrijf ontplooit, loopt het fundamentele, zuiver wetenschappelijke onderzoek gevaar. Op de markt bestaat immers weinig belangstelling voor datgene waarvan de waarde niet op het eerste gezicht duidelijk is.

Het is ook niet denkbeeldig dat bij contractonderzoek pogingen worden ondernomen de huurlingen te beïnvloeden. Wie betaalt, bepaalt. Niet alleen bedrijven, maar ook overheidsinstanties die wetenschappers inschakelen, willen graag onderzoeksresulaten die in hun straatje passen, wat de onafhankelijkheid van de onderzoeker niet ten goede komt.

Op de universiteit bestaat nu minder ruimte om te lanterfanten dan in het recente verleden. Dat is een positieve ontwikkeling. Maar het kan nooit de bedoeling zijn dat wetenschappers hun speurtocht naar wijsheid en waarheid opgeven en hun universiteit laten verworden tot een opleidings- en onderzoeksinstituut voor het bedrijfsleven.

Meer over