Rijen werklozen, reeksen dichte winkels

Nergens in de Verenigde Staten is de werkloosheid zo hoog als in Detroit: ruim 22 procent. Na de autofabrieken sluiten nu ook de winkels....

Van onze correspondent Philippe Remarque

DETROIT ‘Het goede is dat je de kleine dingen enorm gaat waarderen. Een kop koffie en een sigaret worden belangrijke gebeurtenissen.’ Veel meer heeft Daniel Lucci niet. Een paar jaar geleden was hij nog op vakantie in Amsterdam. Hij had een baan als ingenieur en een huis in de chique wijk Grosse Pointe.

Maar nu slaapt hij in de daklozenopvang, op een zaaltje met drie lotgenoten. Het bedrijf waar hij werkte, is dichtgegaan. Zijn vrouw heeft hem uit huis geschopt. Zijn eten koopt hij met food stamps. Zo heet de 160 dollar voedselhulp per maand die hij krijgt op een speciale plastic betaalkaart voor de supermarkt. ‘Daar kun je ruim van eten’, zegt Lucci, een kleine man met pientere ogen.

Op een doordeweekse dag zit hij ’s ochtends gebogen over formulieren in het arbeidsbureau. Naast hem liggen twee sollicitatiebrieven klaar om op de bus te doen. Hij schrijft er zestig, zeventig per week, zegt Lucci, die 58 is. ‘Maar ze nemen liever een jongere. Er is nu veel concurrentie. Vroeger kwamen op één baan drie man af, nu zijn het er twintig.’

‘Michigan works’, staat op het gebouw, en zoals wel vaker bij namen van arbeidsbureaus, is dat rijkelijk optimistisch. Want Michigan werkt steeds minder. Het is de staat met de hoogste werkloosheid in Amerika: 12 procent. Daarbinnen is Detroit weer de kampioen, met maar liefst 22,2 procent werklozen in januari. Zoals de gouverneur van Michigan zegt: ‘Dit is onze orkaan Katrina.’

Melvin Gupton, de directeur van het arbeidsbureau waar Lucci een baan probeert te vinden, moest in januari plotseling extra parkeerplaatsen huren. ‘We konden de stroom nieuwe werklozen nauwelijks aan.’ En aan al die mensen heeft hij niet veel te bieden. ‘Er zijn weinig banen. Alleen de allerbesten worden eruit gepikt.’ Gupton noemt zichzelf een optimist, maar hij erkent: ‘Het wordt eerst slechter voordat het beter wordt.’

Talkshowpresentator Jay Leno geeft maandag een gratis optreden voor de werklozen van Detroit, volgens hemzelf een ‘eenmansstimuleringspakket’. Er stonden zulke lange rijen voor de kaartjes, dat Leno een tweede show gaat geven.

Het komt allemaal door de auto’s. Langs de weg van de luchthaven naar Detroit stond jarenlang een trots bord, waarop steeds verspringende cijfers aangaven hoeveel auto’s er die minuut van de band rolden. Een paar jaar geleden is het bord weggehaald. Er is niet zoveel triomfantelijks meer te melden. De verkoop van sommige auto’s is gehalveerd vergeleken met vorig jaar.

‘Een auto is duur. In tijden van crisis en onzekerheid is het het eerste dat mensen niet meer kopen. Ze blijven nog even in hun oude auto rijden’, zegt Richard Waclawek. Hij werkte bij Ford maar heeft nu een baan in een groeisector: directeur arbeidsmarktstrategie van het ministerie van Arbeid van Michigan. Een bijkomend probleem is dat Amerikanen hun auto op krediet kopen, terwijl nu bijna niemand een lening krijgt.

De kredietcrisis komt boven op een probleem dat al decennia groeit: de ‘grote drie’, General Motors, Chrysler en Ford, worden uit de markt geprezen door de buitenlandse concurrentie. De Amerikaanse autobedrijven zijn gevestigd in Detroit en de industriestaten rond de Great Lakes, waar de vakbonden sterk zijn. Ze betalen de ziektekostenverzekeringen van een heel leger gepensioneerden en hun familieleden. De Japanse, Koreaanse en Europese concurrentie heeft fabrieken geopend in het zuiden, waar vakbonden geen traditie hebben. Hun werknemers mogen niet eens lid zijn.

General Motors, tot voor kort de grootste autofabrikant ter wereld, twijfelt nu tussen herstructurering of faillissement. Chrysler wil samengaan met Fiat. Meer ontslagen zijn onvermijdelijk. ‘Iedereen houdt er rekening mee dat hij zijn baan kwijtraakt’, zegt een ingenieur die voor een Chryslerfabriek zit te lunchen in zijn auto. ‘Als het mij overkomt, zoek ik een baan buiten de staat. Michigan heeft een rampzalige economie.’ Maar zijn vrouw en kinderen blijven in dat geval waarschijnlijk hier. ‘Ik kan ons huis nu niet verkopen. Het is fors in waarde gedaald.’

De gevolgen van de werkloosheidsgolf doen zich voelen. ‘Als het bergafwaarts gaat met de auto-industrie, gaat het bergafwaarts met Michigan’, zegt Waclawek. De werkloze gaat niet meer naar het restaurant, laat zijn tuin niet doen en koopt geen wasmachine. In Detroit kun je rijden langs lange straten waar bijna alle winkels zijn dichtgegaan. Alleen de drankwinkels, met de allitererende verlokkingen Liquor en Lotto op de gevel, doen nog goede zaken.

‘Een stad die uitsluitend op één industrie vertrouwt, tekent zijn doodvonnis’, concludeert Waclawek. Daar zijn de bestuurders van Michigan ook achter. Met enorme belastingvoordelen probeert de staat nu in Detroit een filmindustrie van de grond te krijgen. Ook is er hoop dat onderzoek aan de goed aangeschreven universiteiten tot nieuwe bedrijvigheid gaat leiden. Misschien helpen dadelijk president Obama’s subsidies voor energie-onderzoek.

Met het ‘No worker left behind’-programma wordt werklozen aangeboden zich op kosten van de staat om te scholen. ‘Er zijn groeikansen’, zegt Waclawek. ‘Bijvoorbeeld in de gezondheidszorg. Zeker nu de babyboomers oud worden.’

Jerome Washington heeft de kans gegrepen, en laat zich nu omscholen tot ziekenbroeder.

‘In de auto-industrie moet je niet meer zijn’, zegt de zwarte man, die stijlvol gekleed verschijnt in een noodkantoor voor werkloosheidsuitkeringen, door Michigan opgezet om de nieuwe stroom aan te kunnen. Een medewerkster neemt het formulier aan waarmee zijn uitkering nog dertien weken wordt verlengd. Daarna wachten ook hem food stamps. ‘Is er nog iets dat ik voor u kan doen?’, vraagt ze. ‘Ja, een baan graag’, zegt Washington.

Hij bediende een meetmachine voor motoronderdelen bij een toeleveringsbedrijf van DaimlerChrysler. Maar toen hij op een dag op zijn werk kwam, zeiden ze dat hij zijn kaart niet in de prikklok hoefde te doen en naar de kantine moest gaan. Daar kregen driehonderd man te horen dat hun baan was opgeheven, omdat Chrysler geen klant meer was.

In Amerika gaat zoiets heel snel. Washington moest meteen zijn werkplaats opruimen. ‘Ze staan nog te kijken of je niks meepikt’, zegt hij. De crisis stemt hem bitter. ‘Al die bankdirecteuren, de hypotheekadviseurs die mensen hebben voorgelogen, die hebben allemaal hun baan nog. Zij hebben ons in de crisis gestort, maar wij gewone arbeiders zijn het eerste slachtoffer.’

Het is een geluid dat vaker klinkt in Detroit. ‘Die directeuren geven zichzelf 6 miljoen dollar’, zegt werkloze Lucci, die met zijn pet op naar buiten is gegaan om een sjekkie te roken. ‘Ze dachten steeds meer geld te kunnen maken met geld. Het was net de tulpenspeculatie in Nederland een paar eeuwen geleden.’

Lucci is veel gaan lezen en nadenken door zijn werkloosheid. ‘Ik weet nu veel meer dan vroeger. Amerika is veel te materialistisch. Ik heb jaren verspild door altijd maar meer geld en spullen te willen.’ Die tijd had hij achteraf liever doorgebracht met zijn zoon, die is overleden aan een longontsteking.

Maar geld heeft hij nu wel nodig. ‘Eerst een baan, dan een auto’, neemt hij zich voor. Kan hij niet naar McDonald’s, het enige bedrijf dat altijd wel werk heeft? ‘De hele dag hamburgers bakken, dan maak ik me van kant.’ Maar misschien moet hij toch, denkt Lucci, tot hij iets beters krijgt. ‘Het enige dat ik heb is hoop.’

Meer over