Ribot pakt je met alles dat hij speelt

Vrouwen van jazzmusici hebben soms een dubieuze rol. Sommige zijn onmisbaar voor het functioneren van hun man (zoals Nellie, de vrouw van Thelonious Monk), andere denken hun identiteit te moeten ontlenen aan het dwarsbomen van iedereen die hun echtgenoot van de gebaande (dus lucratieve) paden zou kunnen doen afwijken....

Koen Schouten

De partner van bassist Henry Grimes is vooral te enthousiast, op een onechte manier. Terwijl de luisteraars nog nagenoten van een solo, probeerde zij vanaf de eerste rij met gilletjes en geklap het publiek tot applaudiseren te bewegen. Pardon, we bepalen zelf wel of we het goed vinden.

Het wás goed, maandag in het Bimhuis.

Vijfendertig jaar na het overlijden van freejazzpionier Albert Ayler speelt de gitarist Marc Ribot als een van de weinigen diens muziek. En drieëntwintig jaar na zijn eigen vermeende overlijden speelt Aylers vaste bassist Henry Grimes daarbij mee. Grimes is decennialang zoek geweest, zijn dood heeft zelfs in de krant gestaan, maar twee jaar geleden dook hij weer op. Dat hij nog prima bast, was al eerder te horen in het Bimhuis, en hopelijk weer op 9 mei, als hij er met zijn eigen trio speelt. Jammer genoeg was hij maandag de minste van de band. Hij speelde niet slecht, maar zijn meerwaarde was louter symbolisch.

De geest, het vuur en de passie waren te horen bij Marc Ribot.

Wat een onnavolgbare gitarist is dat. Niemand kan zo tegendraads en tergend gruizig spelen als hij, terwijl toch iedere noot als de enige juiste klinkt. Niet voor niets speelt hij een belangrijke rol op onder meer de laatste plaat van Tom Waits. Bij diens recente concerten in Carré stal hij totaal de show met zijn quasi-slordige, maar superstrakke begeleiding en met zijn levensgevaarlijke solo's.

In het Bimhuis bleek nog eens hoezeer de spannende topkwaliteit van Waits' concerten aan Ribot te danken was. De man heeft de gave om je met alles dat hij speelt meteen te pakken. De drummer Chad Taylor begeleidde hem daarbij met passende luchtigheid.

Een beetje merkwaardig was de rol van de trompettist Roy Campbell. Hij raakte de juiste snaar met gevoelig gespeelde thema's, maar daarbuiten was hij vaak aan het rommelen met geluiden. Bewust of door een gebrek aan lipspanning: dat bleef onduidelijk. Aan de andere kant klonk het juist charmant dat hij een beetje achter de muziek aan leek te lopen.

Het was altijd nog strakker dan bij Ayler zelf. Daardoor kon je horen wat een meeslepende stukken de saxofonist eigenlijk heeft gemaakt. Aan diens opnamen is dat door de slechte geluidskwaliteit en de soms wel erg vrije geest niet altijd af te horen.

Meer over