REVOLUTIE IN HERFSTTINTEN

De fotografie van Midden-Amerika, blijkt uit een manifestatie in Leeuwarden, wordt bepaald door de politieke- en sociale ontwikkeling van het gebied, dat geteisterd wordt door dictatuur, marteling en verdwijningen....

Door Arno Haijtema

Met zijn keuze voor fotografie uit het Groot Caribisch gebied heeft het festival Noorderlicht het zichzelf dit jaar niet gemakkelijk gemaakt. De noordelijke fotomanifestatie met landelijke allure, afwisselend in Groningen en Friesland, biedt op de hoofdexpositie Mundos Creados in het Fries Museum een overzicht van 22 fotografen, meest dertigers en veertigers, die nauwelijks of nooit in Europa te zien zijn geweest en die ook niet snel zullen gaan behoren tot de gevierde namen van de hedendaagse fotografie.

Onderdrukking en de dood, politiek en zware, voor Europeanen soms ondoorgrondelijke symboliek kenmerken het werk van de Cubanen en Midden-Amerikanen, wat de fotografie moeilijk toegankelijk maakt voor 'het grote publiek', dat internationaal succes mede bepaalt of in de weg kan staan. Inlevingsvermogen en denkkracht van de toeschouwer zijn gewenst. Die krijgt er beelden met een poëtisch karakter voor terug en het besef dat de Midden-Amerikaanse cultuur veel verder van de westerse afstaat dan hij wellicht vermoedde.

De keuze van Noorderlicht voor het Groot Caribisch Gebied (dat grofweg reikt van Guatemala tot Colombia) mag enigszins willekeurig zijn, avontuurlijk is zij ook. En bij nadere beschouwing: belangwekkend. Juist door de verweving van politiek en maatschappelijk engagement met artistieke elementen raakt de Caribische fotografie aan wat bijna een taboe mag worden genoemd bij haar westerse pendant.

Waar de Europese en Noord-Amerikaanse museale fotografie nogal eens gefixeerd is op de postmoderne, hoogtechnologische samenleving, het menselijk lichaam en de eindeloze mogelijkheden om daarmee te knutselen, onderzoeken de Midden-Amerikanen de moderne geschiedenis van hun landen. De landen hebben vrijwel zonder uitzondering gemeen dat ze in de laatste decennia van de twintigste eeuw werden geteisterd door burgeroorlogen, doodseskaders, dictatuur, politieke moorden, martelingen en verdwijningen.

Het gevaar van pamflettisme ligt op de loer wanneer kunstenaars zich nadrukkelijk inlaten met maatschappelijke kwesties, zoals de Chileense buitenmuurkunst uit het tijdperk-Allende dat deed met geheven arbeidersvuisten en proletarische strijdkreten ('Venceremos'). Aan die propaganda bezondigen de fotografen bij Noorderlicht zich meestal niet, net zomin als ze vluchten in intellectuele gewichtigdoenerij.

Een van de kleurrijkste werken is een collage van de Colombiaan Carlos Motta, opgebouwd uit een groot aantal portretten van gezichten. Ze hebben geen scherpte, maar lijken, als bijenwas, gesmolten en weer gestold. Hooguit de grovere karakteristieken, de haarlijn, de curve van de ogen, neus en kaak tekenen zich af. Het is een Pop Art-achtig en hallucinant beeld, een ode aan de mensheid. Maar de vraag waarom Motta met die onscherpte de gezichten hun individualiteit heeft ontnomen, blijft intrigeren.

Pesca Milagrosa, 'wonderbaarlijke visvangst' heet het werk, en de titel blijkt te verwijzen naar de cynische benaming die Colombiaanse guerrilla's geven aan hun blokkades die de ontvoeringen inleiden. Motta's fleurige portretten zijn bewerkte opsporingfoto's van na dergelijke 'vangsten' verdwenen of vermoorde personen. Motta's werk is een aanklacht tegen dat lukrake, veelvoorkomende geweld. Maar los van die politieke verwijzingen is het werk ook te beschouwen als een reflectie op onderlinge verhoudingen tussen mensen, eenzaamheid en vervreemding.

Er zijn ook veel directere verwijzingen naar politieke moorden. Zo refereert Daniel Hernández-Salazar uit Guatemala ernaar met een vierluik van dubbelafdrukken. Op drie prints laat hij een man met ontbloot torso het aloude 'horen, zien en zwijgen' verbeelden. Op de vierde afdruk geeft hij, met handen als een megafoon rond de mond, het 'roepen' vorm - een schreeuw om opheldering omtrent de lang genegeerde en verzwegen verdwijningen in Guatemala. Hernández-Salazar beklemtoont de ernst van de zaak door de projectie van bekkenbeenderen over de armen van de man heen, zodat hij lijkt op een engel met vleugels van bot.

Minder eenduidig, en spannender, zijn de rood-goud-bronzen foto's van de Puerto Ricaan Victor Vázquez, vol verwijzingen naar voodoorituelen en seksualiteit. Naakten, mooie jonge mannen en vrouwen, vormen in zijn werk de hoofdpersonen, die worden opgetuigd met kippenpoten of - koppen, veren, of fallusvormige vruchten. Een kaal mannenhoofd, als een volle maan met oortjes, blauwachtig uitgelicht, is doorboord met spijkers. Een vrouw met de kop van een mythische roofvogel is neergevlijd bij een schaal vol kippenpoten. De diepere betekenis van die symboliek is misschien niet voor iedereen helder maar de zinderende gloed van Vázquez' beelden is van een mysterieuze schoonheid.

Die roodbruine tinten zijn bij meer fotografen in zwang. Het is de vraag of dat terug te voeren is op de smaak van de voor de selectie verantwoordelijke curator Wim Melis, of dat Caribische fotografen met die sepia-achtige kleuren een sfeer van nostalgie willen oproepen, een verlangen naar de tijd van de vroege fotografie, naar een onschuldiger tijdperk van ver voor de afgelopen gewelddadige decennia.

Ook het Cubaanse duo Liudmila en Nelson gebruikt sepia in het mooiste deel van hun vierluik over de identiteit van de communistische revolutie. In hun geval is dat al bijna een politiek statement - ze tooien Castro's revolutie in de kleuren van de herfst. Door beeldmanipulatie scheppen zij hun eigen sfeer rond het tamelijk afschrikwekkende monument op het Plein van de Vrede in Havana waarin Cuba's nationale vader, de schrijver José Marti wordt geëerd. Alle belangrijke overheidsinstellingen van het arbeidersparadijs zijn gegroepeerd rond de geribbelde fallus van tientallen meters hoog.

Absolut Revolution, noemen Liudmila en Nelson hun eerbetoon aan Martí. Het Plein van de Vrede mag op hun foto's veranderen in een woeste zee of in een kale vlakte, het monument blijft als baken fier overeind staan in het hart van de afbeelding. De foto's zouden een eerbetoon kunnen zijn aan de door de Cubaanse revolutie toegeëigende Martí, zoals in de catalogus van Noorderlicht wordt gesteld. Maar ze lijken eerder op een uiting van verzet. De titel verwijst naar het totalitaire karakter van de revolutie. En het monument symboliseert de onwrikbare dictatuur. Tegen een apocalyptische lucht cirkelt een libel rond de zuil. Wie wel eens heeft gezien hoe zo'n dier wendbaar als een helikopter het luchtruim controleert op insectenprooi, kan de gelijkenis met de bezigheden van een geheime dienst moeilijk ontgaan.

Als iemand op Noorderlicht aantoont dat artisticiteit en engagement samen kunnen gaan zonder drammerig resultaat, zijn het die twee Cubanen. In veel andere gevallen helt de maatschappelijke betrokkenheid door. Naar loodzware ernst, met beelden van vermoorde politieke dissidenten in het werk van de Nicaraguaans/Amerikaanse Patricia Villalobos. Of naar ondraaglijke lichtheid, zoals de kitscherige spot die de Venezolaan Nelson Garrido drijft met de volksgodsdienst, het katholicisme: een naakte vrouw als Jezus aan het kruis (met baard) in een overdadige enscenering vol doodsverwijzingen: dor gras, een dierenschedel, bloeiende lelies.

Als Noorderlicht iets duidelijk maakt, is hetdat de Caribische fotografen zich nauwelijks kunnen ontworstelen aan de rol van het politieke geweld in hun land, als ze dat al zouden willen. Ze kunnen niet anders dan zich verhouden tot die loodzware erfenis. Het verrassende daarbij is dat sommigen desalniettemin tot persoonlijk werk komen dat verre van eenduidig is. Het treurige is dat de dictators van El Salvador, Guatemala, Colombia en Panama over hun graf heen regeren, in de zin dat zij de thematiek van de pas sinds de jaren tachtig opkomende artistieke fotografie in dit werelddeel nog danig beïnvloeden.

Hoe een Midden-Amerikaans land eruitziet door de ogen van een fotograaf die óók maatschappelijk betrokken is maar niet belast met de bloedige historie, wordt getoond op de neven expositie van de Nederlander Hannes Wallraven, in het Leeuwarder Princessehof. In Honduras maakte hij weergaloze foto's van het leven op fruitplantages en in plattelandsdorpjes. Het leven is er hard en eenvoudig. Maar ook paradijselijk, met verkoelende bergstroompjes en de prachtigste vruchten voor het grijpen, met tijdloze dansavonden en met feesten waar de mannen zelf muziek maken, waar veel bier wordt gedronken, aan het eind waarvan wel eens een klap valt, maar zelden bloed vloeit.

Zeker, Wallravens werk is romantisch. Hij vlucht in een idylle. Maar Wallraven verbeeldt het geïdealiseerde boerenleven in Honduras niet in nostalgisch sepia, maar vol overtuigingskracht met lyrische composities en een uitbundige kleurenrijkdom. Het lijkt erop dat hij zich als vreemdeling in het Caribisch gebied een ongegeneerde creatieve vrijheid kon permitteren die zijn Midden-Amerikaanse vakbroeders en -zusters zichzelf niet toestaan. Over hun schouders loert de dood nog altijd mee.

Meer over