Rendier

Een week na Sinterklaas kwamen de kerstspullen van zolder: de dozen met ballen, engelenhaar, de lichtjes, de kerststal - de hele handel....

Stille nacht, heilige nacht.

Twee dagen later sloeg ook bij de overburen de kerst in, maar zij beperkten zich niet tot een boom. Er verscheen ook een lichtgevende kerstman in de vensterbank, een dikke, rode kabouter met een gloeilamp erin, en weer wat later op het balkon een rendier dat uit honderden, knipperende lichtjes bestond. Dat was schrikken.

Rustig blijven, zei ik tegen mezelf.

Maar de kinderen begonnen aan te dringen op een rendier. Ze sloegen de folders van Blokker en Gamma en Tuincentrum Osdorp er op na, ze gingen internet op, informeerden bij vriendinnen, zo'n rendier had je voor een prikkie. De oudste bood zelfs aan er eentje te gaan kopen, niet van haar eigen geld natuurlijk, nee - ze wilde wel even naar de Gamma fietsen, bijzonder toch wel, want als ik haar vraag even naar de sigarenboer te lopen om het avondblad te kopen, kan ik de pot op.

`We nemen géén rendier`, zei ik ferm. Het leek me typisch een kwestie waar ik mij als gezinshoofd eens lekker mee kon profileren. Een goede zaak ook, met twee weken vakantie voor de boeg. Iemand moet het voortouw nemen in dit wonderland.

`Waarom niet?`, schreeuwde de jeugd, `het is gezellig, het is leuk, het is kerst en iedereen heeft een rendier. Alleen wij hebben geen rendier!`

`Jammer dan`, zei ik.

`Oude lul!`, riep het kroost.

Ik begreep intussen wel wat ze bedoelden, want op mijn avondlijke wandelingen zag ik inderdaad steeds meer rendieren in de buurt verschijnen; enorme gevaartes in voortuinen en op balkons die zo veel licht gaven dat je er midden in de nacht de krant bij kon lezen. Als ik dan weer terug kwam in mijn eigen straat, was het duidelijk dat wij achterliepen - ons huis stond er donker en ongezellig bij, tegenover dat knipperende rendier van de overburen. Eerlijk gezegd begon het wel een beetje aan me vreten, zeker toen de overbuurman ook nog eens honderd meter feestverlichting aan zijn gevel monteerde.

Rustig blijven, sprak ik mezelf toe.

Kerst naderde nu met rasse schreden. Als ik nog even volhield, zou ik met succes het rendier over de feestelijkheden heen kunnen tillen. Daarna zou er geen haan meer naar kraaien. Maar tot die tijd werd er naar hartelust wél gekraaid, want iedere namiddag als de buurman zijn feestverlichting ontstak, sloeg bij ons de treurigheid toe. Zelfs met de gordijnen dicht zagen we zijn rendier nog staan knipperen, om van al die andere duizenden lichtjes nog maar te zwijgen. Het was duidelijk dat ik een verloren strijd streed, het rendier ging er komen, de gezelligheid moest worden gered.

Gisteren ben ik dus naar het Tuincentrum gereden, maar de rendieren waren uitverkocht.

`Al weken`, zei de man achter de kassa. Vanonder zijn kerstmuts keek mij droevig aan, alsof hij zelf thuis ook geen rendier had.

Meer over