Remco Campert

REMCO CAMPERT

'Vandaag flinke ruimte voor de zon', zegt het radioweerbericht. Ik hoor het met het ene oor, het andere bevindt zich nog in halfslaap tegen het kussen gedrukt. Iets met oren. Jawel, de dichter Paul Rodenko. Die sneed een beeld uit morgenrozenhout. 'Ik orensnijder schoudertulpensnijder ik.' Voor tulpen is het nog te vroeg in het seizoen. Beide oren nu ontsloten schuif ik de gordijnen open en inderdaad, de zon schijnt volop. De lucht is blauw, de temperatuur boven nul. Het is een dag om met een schone lei te beginnen. Om onbezwaard als een vlinder van woord tot woord te fladderen. Meteen maar aan de slag dus.

In de krant schrijft Leen Vervaeke, correspondente in Brussel, over een misdadiger, die, als er iets uit zou komen, in 'nauwe schoentjes komt te zitten'. Hoewel ik de Vlaamse uitdrukking niet ken, voel ik het knellen. Gezegend met de Franse taal als inwonend buurman, is de Vlaamse zegswijze ontleend aan het Frans 'être dans ses petits souliers'. Maar het is te vroeg op de dag om al met mijn neus in het woordenboek te zitten. Dat kan later als ik me overgeef aan het dagelijkse scrabble-spel met degene die ik liefheb. Als ik een woord zoek waarvan ik niet zeker weet of het bestaat, kom ik al bladerend bij de d vaker dan me lief is terecht bij het woord 'defenestratie', een krachtige ingreep in 1618 van de Praagse protestanten, die de raadgevers van de koning uit het raam gooiden. Het gebeurde lang geleden en iedereen is dood, maar mijn voorstellingsvermogen is nog altijd springlevend.

Ik fladder verder. Ik roerde de Franse taal aan en alsof er op een knop wordt gedrukt, grijpt het verlangen naar Parijs mij bij de strot. O, daar nu door de straten te dwalen! Zoals Raymond Queneau deed in Courir les rues. Voor een film van Hans Keller, Hôtel Hilton, wandelden Rudy Kousbroek en ik Queneau's gelijknamige gedicht uit die bundel na. Ik vertaalde het. De tekst is te lang om op deze plek weer te geven, laat staan recht te doen. Ik citeer dus alleen de slotregels:'en hier is dan eindelijk het Balardplein

eindpunt van bus- en metrolijn

een taxistandplaats die erbij hoort

kortom voor de voetganger een lustoord'

O, de witbetegelde metrogangen van station Balard. Waarom loop ik daar niet?

Ik kan Parijs nog niet verlaten en kom onvermijdelijk terecht bij bewonderde schrijvers als Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway, die belangrijke jaren van hun leven doorbrachten in Parijs. 'Zo beuken we verder, als boten tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden', luidt de laatste zin van Scotts The Great Gatsby. En dat voert mij terug naar de eerste alinea van Hemingway's A Farewell to Arms, een tekst die in mijn werkkamer hangt en die ik nu probeer te vertalen: 'Laat in de zomer van dat jaar woonden we in een huis in een dorp dat voorbij de rivier en de vlakte uitkeek op de bergen. In de bedding van de rivier lagen kiezelstenen en keien, droog en wit in de zon, en het water was helder en stroomde snel en blauw in zijn geul. Troepen gingen langs het huis en over de weg en het stof dat ze opwierpen bedekte de bladeren van de bomen. Ook de stammen van de bomen waren stoffig en de bladeren vielen dat jaar vroeg en we zagen de troepen over de weg marcheren en het stof opstuiven en de bladeren, door een bries bewogen, vallen en de soldaten voorbijtrekken en later de weg kaal en wit, op de bladeren na.' Proza dat aangeraakt is door de dichtkunst.

Uitgefladderd sluit ik voor vandaag mijn vleugels.

undefined

Meer over