Remco Campert

De dag is nog jong en ik begin maar ergens. Ik begin met een D. Die had ik nog niet gehad. U kunt hem hierboven bleekjes zien staan. Vorig jaar september schreef ik op deze plaats: 'Het begin van deze column heb ik in elk geval al. Het is de letter H, die hierboven staat. In de achter ons liggende weken waren dat de A, de O, de B en de I. Nog 21 letters en dan heb ik het alfabet bij elkaar.'


Na vandaag heb ik nog zes letters te gaan, de G, de K, de Q, de U, de X en de Y. Dan is het maart en heb ik mijn plicht vervuld. Het was een contract met mezelf en ik had het kunnen verscheuren zonder dat er een haan naar gekraaid zou hebben. Hoewel, dat weet ik niet zeker. Er zijn altijd lezers die er een eer in stellen je te herinneren aan de vergeten puntjes op de I. Lezers waar een schrijver blij mee moet zijn, zorgvuldige lezers, die geen slordigheden toestaan.


Ik hoef natuurlijk niet tot maart te wachten. Zonder contractbreuk te plegen en om de lezer mijn perikelen verder te besparen, kan ik de ontbrekende letters vandaag invullen. De G en de K verwerk ik in een handomdraai in de naam van de dichter Gerrit Kouwenaar. Ik keer terug naar 1950, het jaar waarin nr. 4 van BRAAK verscheen, het tijdschrift van de experimentele dichters. We waren toen allen erg geraakt door het wonder van de poëzie van Lucebert. Gerrit Kouwenaar schreef een gedicht, De melk der lente, waaruit het volgende fragment:


'uier waaraan ik slaap peper van elke klok


passar van lieflijk vlees mond onverschilligheid


ik heb een stad vernacht een lichtreclame lijf


ik heb een hand die schrijft ik wens u goedendag'


De K is trouwens ook die van Kousbroek, met wie ik toen BRAAK redigeerde. In hetzelfde nummer schreef hij:


'laten wij het gruwelijke spel


niet meer spelen alsof er niets veranderd was


maar laten wij bewust de chaos uitbuiten


door niet te zeggen wat ons nu


op de lippen ligt'


Nu in 2013 lijken het jeugdzondes, maar reken maar dat het ons toen allemaal bittere ernst was.


De letter U kan niet anders dan naar Het Uur U van Martinus Nijhoff gaan. Ik bezit er een prachtige uitgave van, ontworpen door Anthon Beeke, geïllustreerd door Jeroen Henneman. Het liefst zou ik het hele gedicht citeren, maar het moet bij de aanhef blijven:


'Het was zomerdag.


De doodstille straat lag


te blakeren in de zon.


Een man kwam de hoek om.


Er speelde in de verte op de stoep


een groep kinderen, maar die groep


betekende niet veel,


maakte, integendeel,


dat de straat nog verlatener scheen.


De zon had het rijk alleen.'


Ik kijk uit het raam. Op straat staat een man, type modern, kaal, ongeschoren. Het is niet Nijhoffs man.


De Q, de X en de Y haal ik niet meer in dit bestek. Die moeten dan maar de volgende keer. Zoals nog zoveel de volgende keer moet. Altijd maar door.


Meer over