Remco Campert

REMCO CAMPERT

1950 was achteraf gezien een belangrijk jaar voor me. Het was het jaar dat ik als literair kuiken uit de dop kroop. Ik ontmoette en sloot vriendschap met de 'experimentelen', zoals Schierbeek, Lucebert, Kouwenaar. Ik dichtte al een beetje, maar de omgang met hen gaf me het vertrouwen en de zekerheid dat dichter zijn mijn gelukkige lot was. We troffen elkaar dagelijks in de cafés op het Leidseplein; een hechte groep, ervan overtuigd dat wij, de Vijftigers, de oubollige vooroorlogse poëzie van onze voorgangers van de kaart zouden vegen. Het duurde enige tijd voor we het principe 'leven en laat leven' tot ons toelieten. We waren niet de enige dichters. Leopold, Slauerhoff en niet te vergeten Nijhoff kwamen op mijn pad.

In een huis op het Museumplein was in die tijd de American Library gevestigd, waar ik een regelmatig bezoeker van werd. Ik ontdekte Amerika. Ik las er alle tijdschriften: Life, Collier's, The New Yorker, Saturday Evening Post en True, the Man's Magazine. Er stonden cartoons in, wat bij mij de wens opriep om cartoonist te worden; een wens die later in vervulling ging toen ik cartoons kon plaatsen in het maandblad Mandril, een poging om een Nederlandse New Yorker te maken.

Maar wat er vooral voor me openging, was de Amerikaanse poëzie. Ezra Pound, Marianne Moore, Wallace Stevens en William Carlos Williams, arts en dichter. Ik las fragmenten uit Williams' work in progress, het gedicht Paterson waaraan hij tot aan zijn dood in 1963 werkte. In dat jaar verscheen het lange gedicht in zijn geheel, (met aantekeningen hoe het verder zou moeten gaan. 'Paterson' ( New Directions Paperbook, 1963) is een harmonisch samenstel van poëzie in de hoofdrol en proza als krantenberichten, persoonlijke brieven, dorpsdokternotities, als de verbeelding stimulerend materiaal. Bij het doorbladeren van het boek nu, vind ik er een roerend Nederlands spoor in terug, ongetwijfeld afkomstig van een Nederlandse immigrante:

'Trip a trap o'troontjes

De vaarkens in de boontjes

De koeien in de klaver

De paarden in de haver

De eenden in de waterplas,

Plis! Plas!

Zoo groot mijn kleine Derrick was!'

Een ander fragmentje, waarin kleuren helder zichtbaar worden, is altijd in mijn hoofd blijven plakken:

'Zoveel

hangt af

van een rode

kruiwagen

glanzend

van de regen

naast witte

kippen'

De invloed ervan werkte door in mijn eigen poëzie:

'Op de witte ijskast

staat

minder wit

een fles melk'

In de American Library las ik ook Hemingway's A Farewell to Arms (Scribner's, 1929) met het poëtisch begin: 'In de nazomer van dat jaar woonden we in een huis dat, voorbij de rivier en de vlakte, uitkeek op de bergen. In de bedding van de rivier lagen kiezelstenen en keien, droog en wit in de zon, en het water was helder en stroomde snel en blauw tussen zijn oevers. Troepen kwamen langs het huis en daalden de weg af en het stof dat ze opwierpen poederde de bladeren van de bomen. Ook de stammen van de bomen waren stoffig en de bladeren vielen vroeg dat jaar en we zagen de troepen over de weg marcheren en het stof opdwarrelen en de bladeren vallen, beroerd door de wind, en de soldaten marcheren en later de weg leeg en wit, op de bladeren na.'

In de bibliotheek op het Museumplein ontdekte ik ook de Amerikaanse humoristische schrijvers. Daarover een volgende keer meer.

undefined

Meer over