Religieuze poëzie doortrokken van twijfel en doodsangst

Als dichter heette hij Guillaume van der Graft, hij schreef 2.000 gedichten, en liturgische liederen.

Op 90-jarige leeftijd is zondag in zijn woonplaats Utrecht de dichter, theoloog en oud-predikant Willem Barnard overleden, die als schrijver vooral bekend werd onder het pseudoniem Guillaume van der Graft. Een dichter, tegen wie Gerrit Achterberg eens op een feestje zei: 'Ik lees jou niet, want ik ben bang dat je me beïnvloedt.'


Geen 'dominee-dichter' was hij (die betiteling maakte hem zelfs kwaad) maar een dichter bij wie het religieuze doortrokken is van twijfel en doodsangst, maar ook van christelijke hoop op 'opstanding'. Bijna tweeduizend gedichten publiceerde hij, naast talloze liturgische liederen, essays en theologische beschouwingen. Zijn verzamelde werk noemde hij 'mijn levensboek'.


Willem Barnard, vader van de dichter Benno Barnard (1954), werd geboren in Rotterdam. Op zijn 15de viel hij van zijn geloof, maar na het bombardement op zijn geboortestad besloot hij toch theologie te gaan studeren, gegrepen als hij was door de literaire kracht en zinrijkheid van de Bijbel.


In 1946 debuteerde hij met In exilio, een bundel die voortkwam uit zijn tewerkstelling in Berlijn tijdens de oorlog. Na de oorlog werkte hij als hervormd predikant in verschillende gemeenten, tot hij het predikantschap in 1974 opgaf en zich geheel aan het schrijven wijdde. Uiteindelijk ging hij over tot de Oudkatholieke kerk.


Met christelijke collega-dichters als Ad den Besten, J.W. Schulte Nordholt en Muus Jacobse was hij nauw betrokken bij de totstandkoming van het Liedboek voor de kerken, waaraan hij strofische en berijmde psalmvertalingen bijdroeg en een groot aantal nieuwe gezangen.


Beroemd werd zijn gedicht Schrijvenderwijs: 'Schrijvenderwijs was ik ingeslapen / schrijvenderwijs werd ik wakker bij nacht / omdat er woorden stonden te blaten / onder het open raam waar ik lag.'


Generatiegenoot van de Vijftigers, vertoont Barnard in het begin een zekere verwantschap met dichters als Lucebert en Jan Elburg. 'Een halve experimenteel', noemde Paul Rodenko hem. Met zijn andere helft wortelde hij diep in de traditie van Nijhoff en Eliott.


Zijn gedichten buiten de meerduidigheid van de taal uit, zijn vrij, lichtvoetig en niet zelden geëngageerd, hebben een voorkeur voor concrete en lichamelijke woorden, spelen graag een associërend spel met elementaire beelden en symbolen, zoals dag en nacht, wind, vuur, vogels, vissen, brood, water. Hierdoor krijgt zijn poëzie vaak een mythische lading.'Poëzie is geen proces-verbaal, het is een verbaal proces', schreef hij in 1945.


In een interview bij zijn 70ste verjaardag in 1990 zei hij dat hij het nog steeds niet beter zou kunnen zeggen.


Zijn gedichten werden een paar maal verzameld, meest recent in Lijfeigen (de liefdeslyriek, 2003) en in Praten tegen langzaam water. Gedichten 1942-2007. En vorig jaar nog verscheen Een zon, diep in de nacht. Een keuze uit de dagboeken 1945-2005.


In die dagboeken noemt hij zichzelf 'vrijzinnig vrijzinnig'. Naast zijn vermakelijk gemopper op de moderne tijd en zijn problemen met de georganiseerde godsdienst, beschrijft hij hoe zijn geloof vooral een geloof is dat gevoed wordt door de 'levengevende traditie' en de liturgie.


Een strofe uit het lied O Jezus, hoe vertrouwd en goed beschouwde Barnard als zijn persoonlijk en dichterlijk credo: 'Zolang Gij nog onzichtbaar zijt / een zon diep in de nacht / roep ik Uw nadering reeds uit / omdat ik U verwacht.'


Meer over