Rel over uitheemse kunst krijgt vervolg

Zou het stilte voor de storm zijn, is het struisvogelpolitiek of is het gewoon zo dat elke discussie van internationaal kaliber aan Nederland voorbijgaat?...

Maar waar in Frankrijk, België en de Angelsaksische landen een hevige discussie woedt over de vraag hoe westerse musea moeten omgaan met hun koloniale erfgoed - aan wie behoort het toe, en hoe stellen we het tentoon? - blijft het in Nederland angstvallig stil. Het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden zei onlangs tegen een verslaggever van de Volkskrant: zie ons museum als een 'encyclopedie', waarin 'een lint om de wereld wordt gespannen'. Dat klinkt neutraal en van daar-is-toch-niks-mee-mis?

Maar in België is zo'n houding ondenkbaar. In het belangrijkste museum voor uitheemse kunst, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervueren, brak afgelopen jaar een rel uit toen hedendaagse niet-westerse kunstenaars hún visie op de koloniale kunstgeschiedenis mochten tonen. Die rel krijgt een vervolg, want het museum wordt nu 'hergeprofileerd'. En het Antwerpse kunstenaarsinitiatief het NICC - groter en politieker geëngageerd dan W139 in Amsterdam - is nu aan een drieluik begonnen dat niet-westerse kunst in zijn (neo-)koloniale context toont.

Voor de eerste aflevering van The Big Show dook de Belgische gastcurator Wim Peeters in de twintigste-eeuwse geschiedenis. Aan de hand van een fotoreportage die de Amerikaanse fotograaf Eugene W. Smith in de jaren vijftig maakte van de geneeskundige missiepost van Albert Schweitzer in Frans Equatoriaal Afrika, en aan de hand van een grote serie schilderijen die in Kongo werd gemaakt naar aanleiding van de moord op Kongo's eerste vrij gekozen president Patrick Lumumba, wil Peeters - zo zegt hij in het NICC - 'een kritisch én confronterend kader' bieden rond thema's als exotisme, politieke correctheid, collectief geheugen en collectieve verdringing. Zijn volgende tentoonstelling spitst zich toe op de problematiek van globalisering en dekolonialisering vandaag de dag. De derde en laatste expositie belooft een venster op de toekomst te zijn met utopische voorstellen van kunstenaars.

We beginnen dus met geschiedenis. In de grauwe betonnen ruimtes van het NICC hangen de documentaire foto's van Smith. Prachtig sfeervolle zwart-wit beelden van dagelijkse handelingen in een Afrikaans dorp - water halen, houtblokken verslepen. Het mooiste beeld is een portret van Schweitzer zelf, 's avonds schrijvend onder lamplicht. Dat beeld dwingt je tot de vraag waarom het zo bijzonder is. Misschien omdat het ons stereotype, romantische beeld bevestigt van de gedreven wetenschapper Out of Africa.

Het grootste deel van het NICC is gereserveerd voor de kunst die geproduceerd werd na de dood van Lumumba. Er is een schilderijenreeks van de levensweg van Lumumba, die de beroemdste Kongolese schilder Tshibumba klaarblijkelijk in serie maakte - want op dit moment hangt precies dezelfde reeks van de kunstenaar op de tentoonstelling The Short Century in München. Er zijn leerlingen van Tshibumba die alweer de Kongolese martelaarspresident schilderen en andere repressieve taferelen uit het koloniale tijdperk aanschouwelijk maken.

Het probleem met deze kunstenaars is dat ze niet gezegend zijn met bijzonder veel talent. De beelden zijn illustratief, anekdotisch en soms ronduit slecht geschilderd. Wim Peeters vertelt dat dat komt doordat schilderijen in de jaren zeventig in Kongo goedkoper waren dan foto's. Beschouw de schilderijen in het NICC niet als autonome kunst, zegt hij, maar als beelden die iets vertellen over een cultuur in een bepaalde periode.

Daarmee doet hij het idee achter de tentoonstelling en de kunst zelf te kort. Want er is één schilderij in een hoekje in de kelder van het NICC, een metaal glanzend portret van een anonieme zwarte man, geschilderd door een anonieme zwarte kunstenaar, die bewijst dat kunst in de jonge republiek Kongo weldegelijk autonoom kon zijn.

Meer over