Reis om de wereld in drie snelheden

Van buiten is het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden ongeveer hetzelfde gebleven. Van binnen is alles nieuw, zoals te zien zal zijn na de HERopening op 26 april....

Het oude Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden was een vreemde wereld in een notendop, waarin alles was opgeborgen in vitrines en in boekenkasten, de wereld als het ware op huiskamerformaat. Maar over de indrukwekkende collectie op zaal lag een dikke laag stof, en ook de vochtige kelders en de te droge zolders waren volkomen ongeschikt voor een goed beheer van de verzameling.

Alles dreigde te verkommeren in de zalen van het voormalige Aca de misch Ziekenhuis, waar het museum sinds meer dan zestig jaar is gehuisvest. De buitenwereld en de museale opvattingen waren veranderd, het ministerie werkte aan een Deltaplan voor Cultuurbehoud, tegen houtwormen en vermolming, maar in de museumzalen in Leiden stond de tijd stil. Het was, ook in de ogen van directeuren en conservatoren, een oubollige presentatie met kasten vol maskers, klederdrachten en wapentuig uit exotische culturen en van krijgers, of goden op sokkels.

Na een jarenlange ingrijpende renovatie wordt het museum heropend. Het hele gebouw ging op de schop. In opdracht van het nieuwe Leidse Rijksmuseum schreef wereldreiziger en verzamelaar Bou de wijn Buch De hele wereld in een vitrinekast, 'het resultaat van reizen, lezen en tobben'. Hij vertelt in zijn boek hoe hij als kleine jongen met zijn vader het museum bezocht. 'Kom op, jonge vriend, we gaan de wijde wereld in. Papoea's, negers en indianen - we gaan ze allemaal bekijken.' Het museum werd voor Buch 'een plek die ik talloze malen zou bezoeken: eerst met mijn vader, daarna als de middelbare school was uitgegaan ("ik ga even bij die gekke indianen kijken") en ten slotte als studerend hasjgebruiker'. Het museum leidde een bestaan van dood, 'de geur was nog hetzelfde als die van tien jaar eerder', maar Buch en zijn schoolvrienden ontdekten tussen al die vitrines en aan het eind van lange gangen met vele zalen de boeddha's, een groep van vijf bronzen Japanse beelden, topstukken uit de wereldvermaarde verzameling van het Leidse museum.

'Ik heb er foto's van bekeken', schrijft Buch, 'en ik kon mij niet meer voorstellen dat het in deze ruimte was dat ik absolute schoonheid ervoer, dat ik deze ietwat ongezellige, vierkanterige ruimte beschouwde als een paradijs, en dat ik hier uren, ja zelfs dagen achtereen doorbracht met het stellige gevoel een oosterling te zijn en het Oosten als geen ander te begrijpen.' Het was een opvatting 'die de koude grond niet ontsteeg', maar Buch en zijn hasjvrienden hadden het idee dat de geheimen van het Oosten ontsluierd werden in die zaal van het Vol ken-

kundig Museum.

Die boeddha-zaal bestaat niet meer. De beelden kregen een andere plek in de opstelling. Bezoekers van vroeger zullen zich met moeite het oude gebouw nog voor de geest kunnen halen. De buitenkant is weliswaar nauwelijks veranderd, maar binnen is het hele museum vernieuwd. Het gebouw is helemaal 'opgeschud', de klimaatinstallatie is vernieuwd, het licht werd opnieuw afgesteld, en de vertrouwde buitenmuren vormen nu een beschermende schil om een volledig omgewoelde en heringerichte binnenkant heen.

Uitgangspunt van de renovatie was het behoud en herstel van de oorspronkelijke architectuur, het originele bouwwerk van h.f.g.n. Camp. Sinds 1937 was de ziekenhuisindeling altijd gehandhaafd. De operatiezaal deed dienst als auditorium en de ziekenzaaltjes waren als tentoonstellingsruimten ingericht, geheel volgens Camps corridor-principe: lange gangen met aan een kant of aan beide zijden de museumzalen en andere vertrekken.

Architect Roy Lim koos voor een complete aanpak van het voormalige ziekenhuiscomplex. Het in de Tweede Wereldoorlog door een bombardement van het Leidse spoorwegemplacement verwoeste Boer ha ve laboratorium is in zijn oude staat herrezen. Ook de tuin rondom het museum onderging een metamorfose. Maar de grootste verrassing is het interieur, want de laatste etappe in de renovatie vond 'achter gesloten deuren' plaats.

De herinrichting was voor Opera Ruimtelijk Ontwerpers een moei lijke opgave. Ze gingen uit van een nogal provocerende vraag: 'Zou het een encyclopedie of een roman worden?' Bleef het een rariteitenkabinet, ter stimulering van onze jongensdromen, of moet het een levendige ontmoetingsplek worden, 'niet langer alleen de cultuurhistorie in beeld, maar ook de link naar onze multiculturele samenleving'? Het museum beheert, onderzoekt en presenteert cultureel erfgoed uit de hele wereld. De ontwerpers zochten een evenwicht 'tussen de vele temperamenten van de verschillende collectiedelen en de behoefte om daarmee één verhaal te vertellen', een verhaal dat weer andere verhalen oproept.

Frans Bevers, hoofdontwerper van Opera, koos voor de roman, verduidelijkte hij in een van de tijdens de verbouwing uitgegeven museumkranten, 'maar dan wel een roman met een encyclopedische rijkdom aan verhalen, die allemaal onder het dak van één huis zijn verzameld'. Hij zocht zijn inspiratie voor de herinrichting van het museum in de roman La vie mode d'emploi van de Franse schrijver Geor ges Perec, 'het leven een gebruiksaanwijzing', een roman over een huis in Parijs via verhalen over de verschillende bewoners, kamers en appartementen. 'Perec maakt in zijn boek grote sprongen in tijd en plaats', zegt Frans Bevers, 'precies zoals het museum dat doet.' Die vertelstructuur sprak de ontwerpers zeer aan. 'Door een reeks verschillende inhoudsopgaven geeft Perec je als lezer telkens nieuwe ingangen op zijn verhalen.'

Al in de eerste helft van de negentiende eeuw had dr. Ph.F. von Sie bold, die als arts werkzaam was geweest op de Hollandse handelsvestiging Desjima bij het Japanse Nagasaki, een nota geschreven over 'de doelmatigheid en het nut van een Ethnografisch Museum in Ne der land'. Von Siebold, die goede contacten onderhield met Japanse geleerden en kunstenaars, had een omvangrijke Japanse verzameling, die hij sinds 1837 in het Leidse Rapenburg voor het publiek had opengesteld. 'Het verschaft eene onderhoudende, eene leerrijke en daarom nuttige bezigheid', schreef Von Siebold, 'op vaderlandschen bodem de bewoners van verre landen na te gaan, en hunne eigendommelijkheden te bestuderen.' Het was 'zedelijk en godsdienstig werk' zich met 'zijnen evenmensch onledig te houden' en daardoor 'vertrouwder te worden met die vreemde buitenzijde', en 'hem zelven nader te komen'.

Zijn ontstaansgeschiedenis echter heeft het Volkenkundig Muse um vooral te danken aan de wetenschappelijke belangstelling van koning Willem i. Gedurende de eerste tien jaren van zijn regering zond hij herhaaldelijk geleerden uit naar overzeese gebieden om 'materiaal' te verzamelen voor nieuwe nationale musea. Al in 1821 werd in Den Haag een Ko ninklijk Kabinet van Zeldzaamheden opgericht, met curiosa uit verre landen. Die 'rariteiten' werden in 1883 samengevoegd met Von Sie bolds Japanse collectie, de aanzet voor een op wetenschappelijke grondslag ingericht Leids Volkenkundig Museum, dat meer dan vijftig jaar later verhuisde naar de Morssingel, op een steenworp afstand van het station Leiden Centraal.

De filosoof Plato heeft de wereld ooit beschreven als Gods speeltje. Verzamelaars hebben zich altijd gespiegeld aan dat beeld van de deus ludens, 'de spelende God' die de hele wereld herleidde tot een curiositeitenkabinet. Uit alle gebieden waar de Hollanders kwamen en handel dreven, werden voorwerpen meegebracht, ook 'menselijke diergaarde', zoals de beroemde Groenlander die in de Haagse hofvijver zijn kajakkunsten vertoonde en aan het Hof werd getoond 'daer hij seltsame manieren van doen hadde'. Die eerste kabinetten van zeldzaamheden, naturalia en artificalia uit nog vreemde en haast onbekende continenten, waren 'een wereld in miniatuur'.

Een volkenkundig museum echter was al lang geen Wunder kammer meer, maar eerder een prestigieuze toonplaats voor uit het verre buitenland door militairen, missionarissen, handelslieden en verzamelaars meegebrachte exotische voorwerpen. Zo'n museum was aanvankelijk een soort circus waar je 'het vreemde' kon opsnuiven. De opstelling was theatraal, met koloniale stijlkamers vol vitrines. Je verbaasde je over de dingen die je er zag, het was een onbekende en fantasierijke wereld. Maar gaandeweg werd door de dekolonisatie, en zeker vanaf de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, het volkenkundig museum ook meer en meer een plek voor Derde-Wereldwatchers en oproerige anti-kapitalisten.

'Het museum sloot indertijd dus mooi aan bij alles wat we liefhadden', mijmert Buch, 'vreemde volkeren, het oosten, hallucinatie, politieke bewustwording en aandacht voor de Derde Wereld.' De opstellingen waren geen 'volkenschouw' meer, maar musea voor politiek-

correcte museumbezoekers. Het Rotterdamse Museum voor Vol ken kun de en de Stichting Imago Mundi ontwierpen een 'beeldverzamelgebouw', onder het motto every picture tells a story, 'een bijdrage aan het doorbreken van stereotype, door racisme gevoede beeldvorming in het algemeen en etnische beeldvorming in het bijzonder'. Het Tropenmuseum heeft collecties heringericht als een soort going native in Amsterdam met nagebouwde huizen en impressies van het leven van alledag, met een Indonesische kiosk en een karretje van een straatverkoper van bamisoep.

De opstelling in het Leidse museum is helemaal herdacht. Het museum spant letterlijk 'een lint om de wereld'. Je maakt er een reis van cultuurgebied naar cultuurgebied, een wereldwandeling van Indone sië naar Oceanië. Via dat lint worden wederzijdse invloeden, overeenkomsten en confrontaties tussen culturen duidelijk. 'Maar we hebben een limiet gesteld aan het aantal thema's', aldus Bevers. 'Dat vraagt zelfbeheersing van de conservatoren, maar is tegelijk noodzakelijk om de bezoekers niet op een dwaalspoor te brengen.'

In Leiden krijg je geen stijlkamers te zien, geen theatrale opstellingen. 'Objecten worden strikt als objecten getoond.' Je moet in een museum voor volkenkunde met 'de bespiegelende blik' alles sorteren, zoals je het kaf van het koren scheidt. De huidige collectie telt meer dan 190 duizend voorwerpen, waaruit drieduizend stukken zijn geselecteerd voor de vaste opstelling, een wereldomspannend verhaal met vele hoofdstukken en gelaagdheden.

'In feite keren er in iedere zaal drie lagen terug', zegt Bevers. 'De collectie vormt het hart van de tentoonstelling. Elke zaal heeft een lange betonnen wand. Op de voorkant van die muur wordt op een grafische, terughoudende manier aandacht besteed aan de dynamiek binnen de cultuur en aan contacten van het gebied met andere culturen. Bijna als een spiegel van de zaal en vooral ook als verbinding tussen de verschillende zalen. Op de achterkant komen kleine tentoonstellingen die de actualiteit van die cultuur in beeld brengen. Zo pak je ook drie snelheden. De collectie is het stabiele element, de voorkant van de muur laat de flexibiliteit van de cultuur zien in relatie tot andere en achter de muur kun je, afhankelijk van de actualiteit, wisseltentoonstellingen inrichten.'

Fragmenten uit het boek van Buch zullen terechtkomen in een 'reisgids' voor de gebruikers en bezoekers van het museum. Want de opstelling is, net zoals het oeuvre van Buch, een opengeslagen zoekt-het-eens-op-boek, waarin je kunt bladeren, en dat de wereld leesbaar wil maken. Er zijn verschillende looprichtingen. Bezoekers kunnen min of meer als vanzelfsprekend van het ene cultuurgebied in het andere stappen, maar ze kunnen ook wandelen langs de topstukkenroute, de kinderroute of reizen van de ene verzamelaarsvitrine naar de andere, van Von Siebold naar Blomhoff of naar Overmeer Fisscher.

Een bezoek aan het museum is 'a voyage within the wonderful'. Bij elke vitrine of open opstelling staat een beeldschermpje waarop je met een simpele vingertoets toegang krijgt tot het archief van het museum, het immense geheugen dat in de data-bibliotheek ligt opgeslagen. Er zijn geen hinderlijke opschriften meer, behalve op hurkhoogte voor de kinderen, en wie meer wil weten over de uitgestalde voorwerpen, bladert in de digitale encyclopedie. In aparte zalen kunnen de bezoekers internet raadplegen, vreemde kranten lezen en de boeken uit de bibliotheek raadplegen. Nooit is de actualiteit ver weg. Het Mu seum voor Vol kenkunde is geen missionarissenmuseum meer maar een soort wereldagora waar je vanuit Leiden kunt reizen naar de meest afgelegen en exotische gebieden.

In 1999 organiseerde het museum een symposium om zich te bezinnen over hedendaagse kunst in de collectie, onder leiding van Okwui Enwezor, artistiek directeur van de Documenta 2002 in Kassel. 'Het onderscheid tussen westers en niet-westers getuigt van onnozelheid', zei Enwezor, 'het Westen is een fictie, niet-westers is een inventie. Ik spreek liever van culturele verwevenheid.' Culturen zijn dynamisch, 'ze assimileren allerlei invloeden, definities zijn beperkend, ze fixeren het verleden'. In het museum en in de museumtuin reflecteren hedendaagse kunstenaars over die grote verscheidenheid aan culturen. Het museum wil met hun werken 'de positie van de verzameling in de huidige, multiculturele maatschappij ter discussie stellen'. In steden als Amsterdam, Londen of Ottawa, maar ook in Leiden, is het maken van onderscheid tussen 'zij' en 'wij' verouderd. Misschien vormen de kunstenaars, die het museum heeft gekozen voor het beeldenproject in de nieuwe opstelling, al de voorhoede van de nieuwe wereldburgers.

Op de titelprent van de eerste editie van zijn door Hans Jakob Chris toffel von Grimmelshausen opgetekende avonturen staat Simpli cius Simplicissimus afgebeeld als een scharminkelige rariteit. Zijn lichaam heeft de vorm van een haan, met poten van een rund en een eend, en een afgrijselijke geschubde vissenstaart. Op de prent houdt hij een boek vast, een encyclopedie met afbeeldingen van allerlei voorwerpen. De wereld openbaart zich voor Simplicissimus als een chaos. Hij noemt zich 'zo briljant en volmaakt in de onwetendheid, dat ik niet eens in staat was te beseffen dat ik helemaal niets wist.' Misschien is dat ook de drijfveer geweest van de vernieuwers van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden: je krijgt zo veel te zien, je kunt zo veel bronnen raadplegen. Het nieuwe en afgestofte museum is 'een wereld binnen handbereik'.

Meer over