Rechtbank stond met rug tegen de muur

De truc van de rechtbank om de kroongetuigen in het proces tegen de Hakkelaar geen kroongetuigen te noemen en zo het probleem te omzeilen, overtuigt niet, meent Tom Schalken....

HET vonnis was een anticlimax. Na maanden van publieke discussie over de toelaatbaarheid van de kroongetuige veegde de Amsterdamse rechtbank alle, maar dan ook alle bezwaren van de verdediging van tafel.

Dat is een belangrijke steun in de strijd tegen de criminaliteit. Dat is goed voor het aanzien van de overheid, zeker na de IRT-affaire, goed voor het zelfvertrouwen van het toch al geplaagde Openbaar Ministerie en goed voor het al evenzeer gedeukte aanzien van de politie.

Rechters kunnen op de zitting, zoals hier ook uitvoerig is gebeurd, van hun kritische opstelling blijk geven. Twijfels spelen tijdens de interne beraadslaging een voorname rol bij de selectie van argumenten. Maar als de twijfel eenmaal is overwonnen, gaat het alleen nog om de beslissing en de inkleding daarvan. Wetenschappelijke twijfel past niet bij de beroepshouding van rechters. Het behoort tot hun taak knopen door te hakken.

Dat neemt niet weg dat de rechterlijke stelligheid in dit geval niet kan verbergen dat in het vonnis een flink aantal obstakels uit de weg is gegaan. Om te beginnen is daar het onderscheid tussen kroongetuigen en deals met criminelen.

Regering en parlement hebben zich vorig jaar bij de afronding van het debat over de parlementaire enquête naar de opsporingsmethoden (de commissie-Van Traa) uitgesproken tegen de introductie van de kroongetuige in het Nederlandse strafproces. Afspraken met criminelen waren onder voorwaarden wel toegestaan.

De rechtbank verwijst naar die politieke consensus en concludeert dat het in de Hakkelaarzaak niet om kroongetuigen ging. Het is een raadsel waarom de rechtbank meende die conclusie te moeten trekken. Zij heeft zich daarmee ten aanzien van dit cruciale punt onnodig kwetsbaar gemaakt. Een kroongetuige is een getuige wiens verklaring de doorslag geeft. Dat was ook bij de verklaringen van Abbas en Karman het geval.

Als dat niet zo was, zou daarmee het ook door de rechtbank verdedigde standpunt onderuit worden gehaald dat het alleen met behulp van deze twee getuigen mogelijk was tot de top van een criminele organisatie door te dringen.

Juist omdat die getuigen zo belangrijk waren, is hun in ruil voor een belastende verklaring een beloning in het vooruitzicht gesteld. Deze deal ontneemt hun niet de status van kroongetuige. De commissie-Van Traa hanteerde als criterium of de getuige algehele immuniteit is toegezegd. De rechtbank nam die begripsbepaling over, maar was daardoor wel gedwongen uit te leggen dat Karman geen strafvrijwaring was beloofd.

Dit ondanks het feit dat Karman, als hij tot gevangenisstraf zou worden veroordeeld, niet hoefde te zitten, dat tegen hem geen geldboete zou worden geëist en dat hij niet zou worden 'geplukt'. Wat is er nog meer nodig om iemand strafrechtelijk volledig te ontzien?

De rechtbank houdt wel rekening met bepaalde omstandigheden, zoals het feit dat Karman bijna vijf maanden in Parijs gevangen heeft gezeten. Maar dit overtuigt niet. De kernvraag is of het juridisch en ethisch wel verantwoord was dat het OM, door aan te kondigen Karman wel te vervolgen, maar de straf niet ten uitvoer te leggen, de rechter op die manier buiten spel zette.

De gedachtengang van de rechtbank is schattig. Het vonnis laat zwaar meewegen dat het OM in deze zaak (uiteindelijk) volledige opening van zaken heeft gegeven, dat de beslissing om met criminelen te dealen ook voor het OM 'pijnlijk' was en dat het onzeker is of een dergelijke toezegging ooit opnieuw zal worden gedaan.

Dit gezichtspunt sluit nauw aan bij het moderne vereiste van transparantie, de nieuwe mode in de strafrechtspleging. Het lijkt er veel op dat er tegenwoordig met calvinistische gestrengheid gekeken wordt of politie en justitie wel voldoende openheid hebben betracht, maar dat vervolgens, als dit inderdaad het geval is, met roomse blijheid allerlei mankementen die dan aan het licht komen zoveel mogelijk onder het tapijt worden geveegd.

Openheid is geen doel maar een middel, namelijk om de rechter in staat te stellen controle uit te oefenen. Met die deals was tenslotte het een en ander mis. Als Karman er inderdaad alles aan gelegen was om uit de Parijse gevangenis te komen, waarom zijn hem dan zulke vergaande concessies gedaan? Zelfs het OM geeft achteraf toe dat die afspraken beter hadden gekund.

Waarom kon de rechter dan niet kritisch zijn, los van de vraag of dit meteen tot fatale consequenties had moeten leiden? Fungeerde de politieke wenselijkheid hier als legitimatie? Het lijkt er nu te veel op dat de rechtbank elk luchtgaatje in deze zaak heeft dichtgetimmerd, terwijl dat voor de uitkomst van de procedure niet noodzakelijk was.

Want, en dat is de andere kant van het verhaal, veel mogelijkheden om kritiek op de deals met de twee kroongetuigen in juridische gevolgen te vertalen, had de rechter niet. De rechtbank gaat uitgebreid in op het kader waarbinnen de toetsing moet plaatsvinden. Het wordt dan al gauw duidelijk dat de rechterlijke beoordelingsruimte op tal van punten is beperkt.

In de eerste plaats voelde de rechtbank zich 'gehandicapt' door het ontbreken van een wettelijke regeling. Op zichzelf is dit nog geen reden om de deals niet aan een rechterlijke beoordeling te onderwerpen, maar op basis van welke criteria moet dit dan gebeuren?

Natuurlijk zijn er ongeschreven rechtsbeginselen, zoals het beginsel van subsidiariteit (had de zaak niet zonder kroongetuigen kunnen worden opgelost?) en van proportionaliteit (is er in Nederland van een noodsituatie sprake die de inzet van kroongetuigen rechtvaardigde?).

Toetsing aan deze beginselen kan echter slechts marginaal plaatsvinden, omdat de overheid bij de bestrijding van de misdaad de nodige beleidsvrijheid toekomt. Bovendien beschikt de zittingsrechter in deze strafzaak over onvoldoende informatie om zich een oordeel te vormen over het criminele gehalte van de kroongetuigen in hun eigen strafzaak.

Zelfs als een deal disproportioneel zou zijn, zoals in het geval van Abbas (hij was net een te grote vis), dan kan dit gebrek door een ander voordeel worden gecompenseerd, bijvoorbeeld omdat hij anders niet onder het bereik van de Nederlandse justitie kon worden gebracht.

Voorts heeft de rechter zich te beperken tot de vraag in hoeverre door de gang van zaken het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Alle verdedigingsrechten, met name het recht op ondervraging van de getuigen, zijn ten volle gerespecteerd. De rechtbank ziet geen relatie tussen de deals en andere te respecteren belangen van deze verdachten.

Ook hier is toetsing alleen op beperkte schaal mogelijk. Wanneer bijvoorbeeld een kroongetuige die vijf moorden op zijn geweten heeft, immuniteit wordt beloofd in ruil voor een belastende verklaring tegen een hasjhandelaar, dan moet dat dermate in strijd worden geacht met het beginsel van rechtsgelijkheid dat het jegens die verdachte onrechtmatig zou zijn om hem desondanks te vervolgen.

Maar ook schending van het gelijkheidsbeginsel kan volgens de rechtbank worden gecompenseerd 'door uitkomsten die voor de rechtshandhaving zelf voldoende tegenwicht bieden' (zoals het oprollen van een criminele organisatie).

Tenslotte zit de rechter gevangen in een internationaal-juridische context. Dat Nederland het gebruik van hasj gedoogt, zegt nog niets over de strafbaarheid van een criminele organisatie die zich bezighoudt met de grootschalige hasjhandel naar 'landen waar ten aanzien van het gebruik van hasj andere opvattingen gelden dan die welke in Nederland gangbaar zijn'.

Het woord is zorgvuldig vermeden, maar tegen die achtergrond krijgt het proces toch een politiek karakter. De strafwaardigheid van dit type drugshandel wordt feitelijk dus in het buitenland bepaald. Nederland komt zichzelf met zijn liberale drugsbeleid telkens weer tegen.

Gelet op al deze beperkingen waaraan de rechter is gebonden, komt het OM een bijzondere verantwoordelijkheid toe. Wie bij zoveel normatieve onduidelijkheid dit soort grootschalige strafprocessen voert, zet de rechter met de rug tegen de muur. Bovendien vindt er een rolverwisseling tussen de procesdeelnemers plaats waarbij niet de verdachte, maar het OM in het beklaagdenbankje komt te zitten. De aanklager in de rol van verdediger. De advocatuur in de rol van morele bewaker van de rechtsstaat.

De rechtbank toont zich ook niet erg enthousiast over de gang van zaken. Zij miskent bepaald niet dat 'een verdergaand gebruik van deze en dergelijke ''deals'' het Nederlandse rechtsleven op termijn danig kan beïnvloeden, en niet alleen in gunstige zin.' Of de rechtbank zich nog een keer in een gymzaal laat gijzelen, is dus maar de vraag.

Het OM heeft het Hakkelaarproces gewonnen, maar tegelijk ook verloren. Het had gehoopt, onder andere door het aantrekken van een pr-adviseur, de beeldvorming over zichzelf te kunnen beïnvloeden. Hoewel het proces is uitgelopen op een eclatant succes voor het OM, is de beeldvorming er niet beter op geworden. Het is knap om dit voor elkaar te krijgen.

Het Amsterdamse vonnis bewijst dat de opgeklopte mediastrategie van het OM volstrekt overbodig was.

T.M. Schalken is hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Meer over