Rechercheren met schone handen

De IRT-affaire heeft desastreuze gevolgen gehad voor het imago van politie en justitie. Een nieuwe generatie jonge, ambitieuze rechercheurs moet nu proberen de Interregionale Rechercheteams op het rechte pad te houden....

Het is geen gemakkelijke opdracht die ze hebben gekregen, de zes jonge chefs van de Interregionale Rechercheteams (IRT's). Zij moeten met 'schone' opsporingstechnieken de avonturen doen vergeten van het koningskoppel van Kennemerland, Klaas Langendoen en Joost van Vondel. Zij moeten bewijzen dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad nog niet is verloren. Zonder dat er ook nog maar één criminele burgerinfiltrant schathemeltjerijk wordt met door de politie getolereerde drugsinvoer.

De nieuwe generatie draagt nog steeds oer-Hollandse namen. Henk van Zwam. Godfried van Gestel. Willem Woelders. Zij zaten allemaal op de Politie Academie en behoren tot de laatste lichtingen die daar nog werden ontgroend. De jongste, Oscar Dros, is drieëndertig. Tom Driessen, de nestor van het stel, is slechts vijf jaar ouder.

'Toeval', is het antwoord als hun wordt gevraagd waarom zulke jonge politiemensen aan het hoofd van de IRT's zijn gesteld. Had het niet voor de hand gelegen om de teams - gemiddelde grootte 65 man - te laten leiden door gelouterde managers met een ruime recherche-ervaring?

'Ervaring is natuurlijk heel belangrijk', zegt de Brabander Godfried van Gestel (34) van het IRT Zuid-Nederland. 'Maar er komt een moment dat het licht van de ervaring naar achteren schijnt in plaats van naar voren. We zijn de laatste jaren heel veel bezig geweest met basispolitiezorg, de politie op straat. De ontwikkeling van de recherche is achtergebleven. Om daar iets aan te doen heb je mensen nodig die creatiever zijn, jonge honden die in een dolle bui iets slims denken te roepen. Dat geeft weer wat Schwung aan het verhaal.'

Voor het eerst sinds de oprichting van hun teams, zo'n twee jaar geleden, geven de IRT-chefs een interview. Alleen Woelders (38) van het Amsterdamse team doet niet mee. De heren laten zich voorzichtig, in zo algemeen mogelijke termen, uit over hun vak. Ingaan op lopende onderzoeken is taboe. 'Ons gelijk halen we voor de rechter, niet in de krant', zegt Van Gestel.

Zij maken een ambitieuze en zelfverzekerde indruk. 'Elk onderzoek dat ons wordt toegewezen, krijgen we rond. Als ze ons maar de tijd geven', stelt bijvoorbeeld Henk van Zwam (36), de rechercheur die als een moderne manager zijn in Zwolle gevestigde IRT Noord- en Oost-Nederland presenteert.

'Ik weet zeker dat mijn mensen zich niet profileren als de superrechercheurs die wel even komen vertellen hoe het moet', zegt Van Gestel. 'Toch zien collega's ons zo. Dat krijg ik er niet uit. Of dat nou jalousie de métier is, ik weet het niet. Ik heb nu zoiets van: daar investeer ik maar niet meer in, laat maar lullen.'

'Ik zit op dit moment op een van de mooiste functies van de politie Nederland', oordeelt de Drentenaar Bert Hagen, die na zijn opleiding in Rotterdam verzeild raakte. Hij hoopte er ooit, zo tegen het eind van zijn carrière, chef verdovende middelen te worden. Zevenendertig is hij nu en hij zwaait de scepter over een IRT. 'Maar het verbaast me niet dat mensen van mijn leeftijd op dit soort posities terechtkomen. Het heeft gewoon met doorstroming te maken.'

Ze hebben getekend voor een grote verantwoordelijkheid. Van hen wordt verwacht dat ze de zwaarste, soms onaantastbaar geachte misdaadgroepen achter tralies krijgen. Zoals de bende van Etienne U., ook wel de 'criminele erven' genoemd van de geliquideerde hasjgroothandelaar Klaas Bruinsma. Zoals het Surikartel, de van cocaïnesmokkel verdachte militairen van de voormalige legerleiding in Suriname. Zoals de Turks-Nederlandse heroïnebende '4M', die niet minder dan tweeduizend medewerkers zou tellen.

Bij dat gevecht kijkt het hele veld - politie, justitie en de verantwoordelijke departementen - over de schouder mee. Want het is politiek opportuun aan te tonen dat de georganiseerde misdaad wel degelijk slagvaardig kan worden bestreden. De IRT-affaire, die desastreuze gevolgen had voor het imago van politie en justitie, moet met aansprekende successen naar de achtergrond worden gedrongen. Lukt dat niet, dan zal er hard bij de IRT's worden ingegrepen. 'Als we één misstap begaan, worden we meteen ambtelijk afgeslacht', zegt Van Zwam.

Het grote succes zal niet komen van de ouderwetse recherche-aanpak, zo is de overtuiging van deze generatie. Hagen: 'Het heeft geen zin om elke keer de kilo's en de kerels te pakken. Als je vijf kilo pakt, wat heb je dan bestreden? Je rekent lieden in die handelen in bij de wet verboden waren. Maar is daarmee ook de markt voor drugs in elkaar gezakt? Ik kan me nog herinneren dat na een klapper van ons de marktprijzen omhoog gingen. Dat gebeurt niet meer. Dat is uitermate frustrerend, als je net een gigantisch onderzoek hebt afgerond.'

'Alleen het vangen van boeven is niet genoeg', zegt Van Gestel. 'Na een paar jaar komen ze vrij en gaan ze vrolijk verder waar ze waren gebleven. Waarom? Omdat ze nog steeds rijk zijn. Dus zijn we enkele jaren geleden hun geld gaan afnemen. Maar ook dat is nog niet voldoende, want je laat de infrastructuur van de criminaliteit intact. Dat is het volgende gebied waar we iets aan moeten doen'.

'De regie heeft de afgelopen jaren teveel bij de criminelen gelegen', meent Tom Driessen, chef van het IRT-Haaglanden - het team dat bekendheid kreeg door het CoPa-onderzoek naar de Colombiaans-Surinaamse cocaïnesmokkel. 'De politie liep bij haar werk voortdurend tegen beperkingen op. Zo kon de onderwereld lange tijd ongestoord de fax gebruiken bij het regelen van zijn zaakjes, omdat de wet het aftappen daarvan nog niet toestond.

'Een van de dingen waar je achterkomt, is dat je niet moet werken aan het slechten van die barrières, maar dat je moet denken: waar liggen onze kansen. Alleen door aanhoudingen kom je er niet. Je moet ze dus het idee geven dat Nederland onaantrekkelijk voor hen wordt. Als wij via bepaalde kanalen horen dat criminele organisaties in Zuid-Amerika zich beraden of ze op Nederland blijven sturen omdat er drie partijen zijn gepakt, dan is het goed. Je kunt dan langzamerhand stratego gaan spelen: als je rechts scoort zullen ze links gaan proberen.'

Een misdaadgroep moet door de politie worden benaderd als een bedrijf, zo luidt de nieuwe visie. Wat heeft een xtc-bende nodig voor de productie van zijn tabletten? Chemicaliën, apparatuur en specialistische kennis. Zorg dat zij daar niet aan kunnen komen. Scan de chemische branche. Maak afspraken met de fabrikanten van grondstoffen dat ze registeren wie er wat bij hen koopt.

Nog een voorbeeld: voor het witwassen van de grote criminele winsten is deskundig advies vereist. Maak dat onmogelijk. Jaag op de facilitators, de financiële en juridische adviseurs die het zwarte geld de bovenwereld inloodsen. 'We constateren vaak dat die mensen langzaam en soms ongewild in die situatie terecht zijn gekomen', zegt Oscar Dros, chef van het IRT Randstad Noord en Midden. 'We merken dat je goed met een beroepsgroep kunt praten over die problemen. Werkt dat niet, dan kunnen ze op operationele aandacht rekenen. Wie faciliteert aan boeven zal in het vizier lopen van politie en justitie.'

Voor die aanpak is wel specifieke deskundigheid vereist, deskundigheid waarover de meeste rechercheurs nog niet beschikken. In het onlangs verschenen rapport Recherche op koers wordt een hard oordeel geveld over het opleidingsniveau van de Nederlandse speurders.

De chefs erkennen het gebrek aan kennis. De meeste IRT-rechercheurs krijgen nu standaard extra scholing, vooral op financieel-juridisch gebied. Van Gestel: 'Als een notaris het over een minuut heeft, moet een IRT-rechercheur niet op zijn horloge gaan zitten kijken. Je moet kennis opdoen over branches die interessant kunnen zijn voor IRT-onderzoeken.'

'Sommige onderzoeken zijn zo gecompliceerd', zegt Hagen, 'dat je niet moet ambiëren de kennis daarvoor in eigen huis te hebben. Die moet je binnenhalen. Zoek samenwerking met een accountant of met de bijzondere opsporingsdiensten. Wij hebben bijvoorbeeld al onderzoeken gedraaid met de Algemene Inspectiedienst en de Economische Controledienst. Dat is binnen de politie een enorme cultuurverandering.'

Daarnaast zal de 'informatiehuishouding' - de wijze waarop de politie informatie inwint over criminaliteit en die opslaat - sterk moeten worden verbeterd. Die is nu van een bedroevend laag peil. Een nationale standaard ontbreekt, iedere politieregio hanteert een eigen systematiek. Van de veertigduizend paar ogen en oren bij de politie wordt veel te weinig gebruik gemaakt, zo is het algemene oordeel.

Van Zwam: 'Er moet één informatiesysteem komen voor de hele Nederlandse politie. Daarbij moet worden afgezien van machtsdenken, van denken dat dit 'míín informatie' is die niet mag worden gedeeld. De politie is vooral een informatieverwerkend bedrijf, maar heeft helaas een naam hoog te houden van hoe het mis kan gaan op dat gebied. De commissie-Van Traa heeft aanbevolen om tweejaarlijks een analyse te maken van de criminaliteit in Nederland. Dit is hét moment om te zeggen: nu moet er een landelijk informatiesysteem worden ingevoerd.'

Goede informatie leidt immers tot een weloverwogen inzet van de IRT's. Tot voor kort bepaalden de politieregio's - die de IRT's gratis van mankracht voorzien - zélf welke van de talrijke criminele groepen moesten worden aangepakt. Het gevolg daarvan was dat er weinig animo bestond voor de aanpak van organisaties die 'bovenregionaal', nationaal of zelfs internationaal opereren.

Nu wijst het college van procureurs-generaal - de top van het Openbaar Ministerie - de doelgroepen van de IRT's aan. Maar nog steeds hebben de regio's een belangrijke stem. 'Als een onderzoek buiten de regiogrenzen komt,' zegt Van Zwam, 'dan bestaat al gauw de neiging de doelstelling zo te herformuleren dat je binnen de regiogrenzen blijft. Men wil dat een regionaal budget ook wordt besteed aan de criminaliteit in de eigen regio. Dat is volstrekt logisch.'

Maar waren de IRT's nu niet juist opgericht om de grote, 'boven-regionale' misdaadorganisaties te elimineren? Volgens een kritisch Justitie-rapport slaagden de teams er aanvankelijk niet in hun meerwaarde te bewijzen. Maar dat is veranderd, zegt Van Zwam. Hij haalt het 4M-onderzoek aan dat onder zijn leiding is verricht. De voormalige gemeentepolitie van Arnhem had in het verleden schakeltjes van het enorme Turks-Nederlandse heroïnenetwerk aangepakt. Maar de top was buiten schot gebleven. Het IRT Noord- en Oost-Nederland had er nog twee jaar voor nodig om het bewijs tegen de hoofddaders te kunnen leveren.

Van Zwam: 'Dat is de meerwaarde van IRT's, dat ambitieuze onderzoeken kunnen worden opgepakt die anders blijven liggen. Maar nóg is niet helder geformuleerd wat er van de IRT's wordt verwacht. In mijn overtuiging is de doelstelling van de IRT's dezelfde als die van het vorig jaar opgerichte Landelijk Rechercheteam. Dat doet alleen onderzoeken die grote financiële deskundigheid vragen.'

De IRT's hinken op twee gedachten. Enerzijds moeten de teams de criminaliteit in het eigen achterland bestrijden, anderzijds moeten ze landelijk aanzien opbouwen met de hen toegewezen 'aandachtsgebieden', ook wel fenomeenonderzoeken genoemd. Zo moet het IRT Zuid-Nederland de nationale specialist worden in het bestrijden van synthetische drugs. En Rotterdam moet ervaring opdoen met de aanpak van fraude en milieucriminaliteit. Van de opgedane kennis moet de hele politie gaan meeprofiteren.

Van Gestel noemt het een van de grootste dilemma's van de IRT's. 'Je moet werken voor de regio, maar tegelijkertijd meer doen dan alleen je eigen straatje schoonvegen. Ik ben voorstander van topic-recherche en landelijk opereren. Daar ontkom je toch niet aan.'

Van Zwam: 'De tijdens de enquête door Bovenkerk verwoorde 'Turkenmoeheid' bij de Amsterdamse politie speelt niet alleen daar, maar in heel Nederland. Iedereen ziet dat na de uitschakeling van een takje het criminele netwerk nog steeds in stand blijft. Je zou een IRT de opdracht kunnen geven het hele Turks-Nederlandse netwerk onderuit te halen. Ik heb de overtuiging dat dat kan.'

Ook de commissie-Van Traa deed in haar eindrapport de aanbeveling de teams te zetten op onderzoeken met een landelijk of internationaal belang. Voor het eind van volgend jaar zal hierover door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie een beslissing worden genomen. Dan loopt het IRT-convenant af dat de politieregio's met de departementen hebben gesloten. Een wettelijke regeling voor de teams is inmiddels in de maak.

In 1997 moeten ook de contouren duidelijk worden van de wetgeving die het ministerie van Justitie aan het voorbereiden is voor de opsporing in Nederland. De commissie-Van Traa deed begin dit jaar gedetailleerde voorstellen. Om excessen als het IRT-debâcle in de toekomst te vermijden, zijn stringente regels noodzakelijk, concludeerde ook de Tweede Kamer.

De IRT-chefs vragen zich bezorgd af of de ingewikkelde opsporingspraktijk wel in wetten is te vangen. 'Ik was geen tegenstander van Van Traa,' zegt Tom Driessen. 'Door de parlementaire enquête zijn we er na twintig jaar achter gekomen dat we als beroepsgroep niet alles geheim moeten houden. Natuurlijk moeten er duidelijke normen en waarden komen, maar dan in de vorm van: wat kan écht niet. Van Traa wil scherpe grenzen maken. Maar waarom is dat niet eerder gebeurd? Omdat dat niet aansluit bij de praktijk.'

'Het is een misverstand dat de politie geen wetgeving zou willen', stelt Van Zwam. 'Volgens mij wil de politie dat heel graag, zodat ze precies weet waar ze aan toe is. Alleen moeten het bepalingen zijn die mogelijkheden bieden voor ontwikkeling. Als je wetten gaat maken waarin elk technisch hulpmiddel limitatief wordt opgesomd, dan is het morgen verouderd. Dat moet je dus niet doen.'

Belangrijkste punt van zorg voor de IRT-chefs is het uitdrukkelijke verbod op de inzet door de politie van criminele burgerinfiltranten. Criminelen mogen wel tipgever zijn (informant), maar niet op verzoek van de politie binnendringen in een criminele organisatie (infiltrant). Het onderscheid tussen die twee juridische figuren is in de praktijk moeilijk te maken, menen de IRT-chefs.

Van Zwam: 'Een informant kan een infiltrant worden als hij wordt benaderd om een auto te huren. De auto kan worden gebruikt om een onschuldig ritje door Nederland te maken, maar het kan ook zijn dat er met die wagen een partij heroïne wordt vervoerd. Dat weet je van tevoren vaak niet. In de strikte redeneertrant van Van Traa zou een informant met dat risico in het vooruitzicht geen auto mogen huren. Maar als hij dat niet meer mag doen voor een organisatie, dan voorspel ik dat er binnen de korte keren geen informant meer overblijft. Want hij zal regelmatig zo'n vraag gesteld krijgen, al was het maar om hem te testen.'

Oscar Dros weet als geen andere wat de gevolgen kunnen zijn van de inzet van criminele burgerinfiltranten. Hij leidt het onderzoek naar de criminele erven van Klaas Bruinsma, al zal de recherchechef dat zelf nooit bevestigen. Op die misdaadgroep had het IRT Noord-Holland/Utrecht - de voorloper van de huidige IRT's - het eerder ook voorzien. Maar dat onderzoek, de kranten hebben er vol mee gestaan, werd een mislukking. Het team werd in december 1993 opgeheven nadat een Amsterdamse recherchechef alarm had geslagen over de door het IRT toegepaste 'omstreden werkmethode'. De Haarlemse rechercheurs Langendoen en Van Vondel, die ten behoeve van dat team een aantal criminele informanten runden, hadden enkele tipgevers toegestaan duizenden kilo's soft drugs in te voeren. Zij hoopten dat de betrokkenen daarmee zouden klimmen in de hiërarchie van het criminele milieu en zo zicht zouden krijgen op de personen die daar aan de touwtjes trekken.

Het team van Dros kreeg na de IRT-flop de opdracht helemaal opnieuw beginnen met het onderzoek naar de Bruinsma-groep. Desondanks wil ook hij nog steeds de mogelijkheid hebben om criminelen als infiltrant in te zetten. 'Iedereen is geweldig geschrokken van de risico's. Die onderken ik uiteraard ook. Toch had ik me goed kunnen voorstellen dat we er binnen een verantwoord kader mee door hadden kunnen gaan.'

Ook de grens tussen gecontroleerd afleveren en doorlaten van drugs is een onduidelijke, aldus de recherchechefs. Bij geontroleerd afleveren worden de verdovende middelen een tijdlang door de politie gevolgd met de bedoeling de partij op een strategisch moment in beslag te nemen. Bij doorlaten mogen de onder observatie staande drugs in het criminele milieu verdwijnen om de bij de drugstransporten betrokken infiltrant geloofwaardig te maken. Het kan ook zijn dat de politie een nog grotere partij verwacht en daarom de eerste proefzending - de lijntester - wil doorlaten. Een gecontroleerde aflevering is nog steeds gepermitteerd. Maar het doorlaten is slechts bij hoge uitzondering toegestaan, zo heeft de Kamer bepaald.

Van Zwam: 'Laat ik een fictief voorbeeld noemen. Er komt een partij van honderd kilo heroïne binnen. Je wilt toeslaan als de hoofdverdachte er met zijn vingers inzit. Maar opeens komt er een piepeltje twee kilo halen. Die kun je nog met een observatieteam laten volgen, zodat ook dat spul uiteindelijk wordt gepakt. Maar dan komt er nog zo'n koeriertje, en nog een. Die kunnen niet allemaal worden gevolgd. Wanneer grijp je in? Als er tien kilo uit is en de hoofdverdachte komt? Of laat je niks door en pak je het eerste piepeltje? Dan is de zaak wel stuk. Die hoofdverdachte krijg je niet meer.'

Kritiek bestaat er bij de chefs ook op de manier waarop de Tweede Kamer het rapport van de commissie-Van Traa heeft besproken. Het debat ging naar hun mening teveel over de 'poppetjes', over de personen die tijdens de IRT-affaire goed of fout zijn geweest. Hagen: 'Er had een meer fundamentele discussie moeten worden gevoerd over de grenzen van de opsporing. Er zijn, ook door Van Traa, teveel conclusies getrokken op basis van incidenten.'

Door de parlementaire enquête en het daarop volgende debat over de toekomst van het recherchevak, kan deze IRT-groep op veel aandacht rekenen. Volgens sommigen roepen deze blikvangers herinneringen op aan die andere generatie, die zich in 1977 als vernieuwer van de politie manifesteerde. In het rapport Politie in verandering pleitten auteurs als Nordholt en Wiarda voor een meer sociaal gezicht van de blauwe macht. Een groot deel van deze 'lichting '59' zou het later schoppen tot hoofdcommissaris.

Zo'n groep zijn wij niet, bezweert de nieuwe generatie. Ondanks hun eensgezinde vernieuwingsdrang willen zij niet worden vergeleken met de jaargang Nordholt. 'Wij zijn elkaars klankbord, meer niet', zegt Driessen. 'Wij zijn gewoon een aantal recherchechefs die toevallig bij elkaar zijn gekomen', meent Dros. 'We kennen elkaar wel allemaal van de Politie Academie', meldt Van Zwam, 'maar we zoeken elkaar vooral op omdat we dezelfde belangen hebben.'

De lichting '59 was veel meer een 'subcultuur', een groep mannen die elkaar nauwlettend in de gaten hielden. Onderlinge concurrentie was een belangrijke drijfveer om carrière te maken. Dat is nu heel anders, zo wordt met stelligheid beweerd. Ze roemen, onafhankelijk van elkaar, de onderlinge bereidheid om samen te werken.

Van Gestel: 'Wij hebben het uitgangspunt: wij zijn IRT's. Wij zijn in rechercheland best bijzonder. Laten we elkaar in ieder geval ondersteunen.' Van Zwam: 'Wij zijn Fremdkörper binnen de politieorganisatie. Daardoor ontstaat saamhorigheid. Wat natuurlijk ook sterk katalyserend heeft gewerkt is toch, hoe je het ook wendt of keert, de IRT-affaire. Het feit dat onze teams ook IRT heten, maakt dat je ontzettend je best wil doen om te laten zien dat het ook anders kan.'

Onlangs hebben ze afgesproken dat ze voor kortlopende klussen aanspraak kunnen maken op elkaars capaciteit. Als een verdachte van het IRT Noord- en Oost-Nederland zich in het Amsterdamse beweegt, zijn de collega's aldaar niet te beroerd hem te schaduwen. 'Het machtsdenken is weg', zegt Van Zwam. 'Dat is voor het eerst. Dat is absoluut nieuw.'

Marc van den Eerenbeemt

Michiel Kruijt

Meer over