Recensie

Wat ging er mis in de vriendschap tussen Ramdas en Sanders?

ALEID TRUIJENS

Eén keer kwam hij in 2010 in Almere op bezoek bij zijn 'broer' en 'zielsverwant' Stephan Sanders. Die woonde daar een tijdje om de sfeer te snuiven en daarover een boek te schrijven. In 2010 was die stad in het nieuws omdat de PVV er de grootste partij in de gemeenteraad werd. Weldenkend links Nederland was er kapot van. De barbarij kwam aan de macht, de beschaafde mens had verloren.

Zo ervoer Anil Ramdas (1958-2012) dat. Als een nederlaag. Het white trash zegevierde. Alle idealen, het verlangen naar een vrije, open samenleving waarin ras en herkomst onbelangrijk waren, waren vergeefs geweest. Zij, de toonaangevende intellectuelen, deden er niet meer toe.

Het werd geen opwekkend bezoek. Het gesprek wilde niet vlotten. De vrienden van weleer - samen veel gereisd, programma's gemaakt - bleken een beetje uitgepraat. Ramdas was aan het afkicken van de alcohol; alle geestdrift was verdwenen. Als Ramdas zegt dat je in deze barre tijden maar op één partij kunt stemmen, reageert zijn vriend cynisch: 'Wat is democratie toch prachtig, als er eigenlijk maar één partij is die deugt.'

Twee jaar later is 'Nieltje' dood. Net als de hoofdpersoon in zijn autobiografische roman Badal, die in 2011 weinig opzien baarde, pleegde hij zelfmoord. Op 16 februari, zijn verjaardag. Sanders is woest als hij het hoort. 'Je moet maar durven...! Jezelf vermoorden op je eigen verjaardag. (...) Wat een aansteller, wat een aandachttrekker. Hadden we niet genoeg slingers opgehangen?'

Dat hadden 'we' inderdaad niet. Sanders vergat de laatste verjaardag van zijn vriend. Anil Ramdas had, op het laatst, niet zo veel vrienden meer. Want Anil, onvermoeibaar initiator, ideeënspuier, hemelbestormend opiniemaker, 'was een achterblijver geworden'.

Ramdas'dood slaat Sanders compleet uit het lood. Het boek waaraan hij schrijft moet over Almere gaan; hij kreeg er een werkbeurs voor. Maar dat kan nu niet meer. Of toch. Want 'Almere' is een handige metafoor voor de ideale wereld die Ramdas, toen hij in 1977 naar Nederland kwam, koesterde. Dé plek voor de geslaagde immigrant die Ramdas zich voornam te worden. Een kleinburger, maar een groot denker.

Sanders wekt in zijn goed geschreven boekje weinig sympathie voor zijn voormalige vriend. Het aardigste is nog het begin, waarin hij vertelt hoe Ramdas hem in de jaren '80 het hof maakte. Daarna wordt zijn 'broertje' in elegante zinnen weggezet als megalomaan en hooghartig. Een clanhoofd, een ijdeltuit. 'Met terugwerkende kracht geloof ik dat Anil een gelukkiger man was geweest als hij zelf de koloniaal had mogen uithangen.' Sanders spaart zichzelf - zijn gemakzucht, zijn snobisme - evenmin. Maar een echte analyse van wat er misging, komt er niet.

'Ik heb Anil op sociale ruimtevaart gestuurd', schrijft Sanders. Dat is een intrigerende gedachte, die helaas nauwelijks wordt uitgewerkt. Wat maakte die vriendschap ooit zo geweldig? Hoezo ging de man die zich op het laatst opsloot in zijn werkhok op sociale ruimtevaart? Waarop vloog hij zich te pletter? Het lijkt wel of Sanders niet meer de fut kon opbrengen om te komen tot de kern van die sleets geworden vriendschap.

Beroepsallochtoon

'Toen ik Anil leerde kennen, wilde hij leren. Toen hij terugkwam uit India, waar hij eenzaam was geweest en veel was gaan drinken, vond hij het tijd dat hij discipelen zou krijgen. Maar in plaats daarvan werd hij beroepsallochtoon genoemd. Dat heeft hem enorm gestoken.Ik snap dat, maar ik kan dat niet als ultieme oorzaak van zijn ellende zien.'

Stephan Sanders over Anil Ramdas in de Volkskrant van 18 juni 2013.

undefined

Meer over