Realistische vriendenkring van een Belgische mecenas

Un cercle d'Amis. Belgische kunstenaars getuigen van hun tijd. Tot en met 7 januari 1996 in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch....

PAUL DEPONDT

Op het 'portret van vrienden' dat Guillaume-Séraphin van Strydonck in 1890 maakte, zit de cercle d'amis aan de ontbijttafel in de Blankenbergse villa Quisiana van hun mecenas en verzamelaar Henri Van Cutsem. Het is een fijn geschilderd burgerlijk tafereel, zeven keurige heren rond de tafel in een smaakvol gestoffeerde eetkamer, een typisch negentiende-eeuws realistisch schilderij met veel aandacht voor detail, textuur en precieze verfkeuze.

Tot Van Cutsem's vriendenkring behoorden naast Van Strydonck schilders als Théodore Verstraete, André Collin, Auguste Oleffe en de beeldhouwer Guillaume Charlier, van wie nog zelden werk wordt getoond. De gefortuneerde collectioneur verzamelde bij voorkeur jonge, ondernemende kunstenaars uit de Brusselse avantgarde-groep Les Vingt. Zelden koos hij symbolische of neo-impressionistische schilderijen, kunstwerken van Félicien Rops, Théo Van Rijsselberghe of Ferdinand Khnopff, die rond de eeuwwisseling veel succes hadden. Van Cutsem had een uitgesproken voorkeur voor het realisme.

Un cercle d'amis in het Noordbrabants Museum in Den Bosch toont ruim honderd werken uit zijn collectie. Het zijn sociale taferelen, als het ware geschilderde en getekende hoofdstukken uit een naturalistische roman: 'Het kamermeisje geïntrigeerd', 'Café in de Borinage' of 'Dag zonder brood', 'Lente te Schoore', allemaal alledaagse scènes uit het harde en soms ook genoeglijke leven op het Vlaamse platteland of in de grauwe Belgische industriesteden. De personages zijn onmiskenbaar negentiende-eeuwse types, in verf of krijt getekende karakterschetsen, boeren met doorgroefd gelaat, stoere vissers, 'de schoorsteenveger', 'de spinner', 'de steenhouwer' en andere arme lieden.

In 1992 verscheen Beyond Impressionism - The Naturalist Impulse in European Art 1860-1905, met Lente in Schore van Verstraete op het omslag, waarin Gabriël Weisberg voor het eerst de naturalistische tendensen in het laatste kwart van de negentiende eeuw als een aparte stroming presenteerde. Weisberg beschouwt de Van Cutsem-collectie als 'een van de voornaamste getuigenissen van de realistische smaak, zonder sociale opties, van de burgerij van toen'. Sinds kort is er een grote museale belangstelling voor Les Vingt, waartoe ook James Ensor behoorde, voor naturalisten als Charles Degroux of Eugène Laermans, èn voor de gelijkgestemde realistische kunstenaars van de Van Cutsem-verzameling.

Van Cutsem verdedigde kunst 'die goedheid uitstraalt'. Na het overlijden van zijn vrouw en zijn zoon, zijn broer en zijn zuster, ging hij volledig op in zijn rol van mecenas en verzamelaar. Hij onderhield een cercle d'amis van gelijkgezinden, nodigde hen uit bij hem thuis en steunde hen in ruil voor hun hartelijke vriendschap.

Voor de een kocht hij boeken, aan de ander gaf hij een studietoelage, een derde bood hij een atelier aan en aan een vierde schonk hij reisgeld. Zijn kunstenaarsvrienden konden gebruik maken van zijn verblijf aan de kust, de villa op de Blankenbergse dijk, of van zijn kasteel Ronfay in Orchamps. 'Bij deze schenkingen ging hij met zoveel tact te werk', schreef een van zijn vrienden, de Belgische homme de lettres Sander Pierron, 'dat het bijna lijkt of hij degene is die een gunst verkrijgt'. Kunst had volgens Van Cutsem een sociaal doel. 'De mecenas geloofde in de moraliserende kracht van de kunst', schreef Pierron.

De tentoonstelling is samengesteld uit de collecties van het Doornikse Museum voor Schone Kunsten, waaraan Van Cutsem zijn verzameling legateerde, en van het Museum Charlier te Sint-Joost-ten-Node nabij Brussel. Op de expositie is ook een groot aantal tekeningen, 'sapverftekeningen' of aquarellen, en 'krabbels en schetsen' te zien. Van Cutsem had er meer dan duizend. Hij had een buitengewone interesse voor 'fotografische' tekeningen, voor de gedetailleerde, naar foto's van familietafereeltjes gemaakte grisailles van Louis Pion.

Veel kunstenaars van Van Cutsem's kring, zegt Saskia de Bodt in haar catalogusbijdrage over het Belgische naturalisme, traden in het voetspoor van Emile Zola's ideeën over de roman. In zijn beroemde Thérèse Raquin, zijn 'programmatische' roman uit 1868, schreef Zola dat hij 'niet meer en niet minder gedaan had dan het weergeven via mijn personages van de botsing van een sanguine en een nerveuze natuur'. Het was het werk van een chirurg, 'le travail analytique que les chirurgiens font sur des cadavres'. Het was exact en precies kopiëren.

België had in de negentiende eeuw zijn 'Zola belge', de schrijver Camille Lemonnier die het naturalisme een filosofie noemde 'die raakte aan de biologie, de geologie, de antropologie, aan de exacte wetenschappen en aan de sociale wetenschappen'. Van Cutsem's favoriete beschermeling was Charlier, die sterk geloofde in de theorie van Lemonnier. Hij was dè beeldhouwer van arme lieden, steenhouwers, zeelui, volksvrouwen en armoedige kinderen. Hij was een kunstenaar die werk maakte dat - in de ogen van Van Cutsem - 'goedheid uitstraalde'.

Paul Depondt

Meer over