Rare hype rond a-modieuze band

Veel muzikanten hebben er een hekel aan als hun muziek beschreven wordt in beelden van hun thuisland. Dat kan inderdaad hinderlijk zijn, want het levert vaak maar goedkope lyriek op, dat gebeuzel over muziek waarin je de verzengende Texaanse zon of de Schotse hooglanden op een gure najaarsdag zou kunnen...

Sommige groepen vragen er nadrukkelijk om. Als het mogelijk is om de leegte, de schemer en de kou van IJsland in muziek te verklanken, dan klinkt het resultaat als Agaoetis Byrjun (2000), het album waarmee de groep Sigur Rós een culthit scoorde.

Een jaar na de kennismaking is Sigur Rós, IJslands voor 'Roos der Overwinning', groot genoeg om het Amsterdamse Paradiso vrijwel te vullen met geduldige liefhebbers van Radiohead op z'n ob scuurst: uitgesponnen soundscapes met - heel soms - een geluidseruptie van strijkers en gitaren.

Het is een merkwaardige trend, die sferische, filmische gitaarmuziek, die afstand doet van bijna alles waarvan we dachten dat het kenmerken van popmuziek waren: toegankelijkheid, compactheid en directheid, bijvoorbeeld. Het Canadese activistencollectief Godspeed You Black Emperor! is de vaandeldrager; Sigur Rós vertoont gelijkenis, muzikaal, maar vooral in houding.

De groep bestaat uit shoegazers van de ergste soort, is persschuw, weigert doorgaans te poseren voor 's, zegt op het podium geen woord tegen het publiek en houdt het licht voortdurend gedimd. Bij Sigur Rós komt daar nog eens bij dat ze nauwelijks Engels spreken.

Nog nadrukkelijker dan Godspeed schurkt Sigur Rós tijdens live optredens tegen de saaiheid aan. Minutenlang klonken door Paradiso alleen het aaien van de drumkwastjes van Orrí Páll Dyrason en natuurlijk de continue mineurklank uit de gitaar van Jónsi Birgisson, die zijn instrument met een vioolstrijkstok bespeelde. De drie violistes en de celliste, achter op het podium, deden het grootste deel van de tijd niets.

Het hecht en geconcentreerd klinkende optreden in Paradiso was zonder enige twijfel het beste van Sigur Rós in Nederland, al was dat niet zo moeilijk, nadat de groep zowel op Crossing Border als in Nijmegen (als voorprogramma van Radiohead) maar matig uit de verf was gekomen. Desondanks werd duidelijk dat Sigur Rós de spanning niet van begin tot eind in tact weet te houden, zoals het onheilspellende en vaak overrompelende Godspeed dat kan.

Ondanks de schoonheid van bijvoorbeeld het feërieke Svefn-G-Englar (Slaapwandelaars) dringt de vraag zich op waar de alternatieve hype rond dit soort volslagen a-modieuze en vaak ronduit langdradige groepen vandaan komt. Agaoetis Byrjun is geen plaat die je elke week tien keer opzet, en de waardering voor dit soort autistische vertoningen kon ook wel eens heel tijdelijk zijn.

Maar Sigur Rós is tenminste weer een band die veel vragen oproept, en dat zo'n ondoorgrondelijke en weinig exploitabele band nog een redelijk succes kan worden in de moderne popindustrie, moet elke liefhebber goed doen.

Meer over