Punkpropaganda

Voor 1980 kende Los Angeles maar een matige kunst- en muziekscene, is de gedachte. Met die misvatting rekent de stad, de City of Angels, nu af.

Het moest maar eens afgelopen zijn met dat minderwaardigheidscomplex. Kunst in Los Angeles en omstreken bloeide niet pas op in de jaren tachtig, zoals een hardnekkig misverstand nog steeds luidt. 'LA kende weliswaar niet zo'n bloeiende kunstscene als New York', zegt Andrew Perchuk, adjunct-directeur van het Getty Research Institute, in het tijdschrift art ltd. Maar provinciaal of inferieur was het kunstklimaat aan de Westkust allerminst.

Perchuk wil het idee dat kunst in Los Angeles pas in de jaren tachtig tot bloei kwam, ontkrachten. Niet alleen in het eigen Getty Center, maar ook in andere musea en galeries in de stad. Na een jarenlange voorbereiding was het vorige maand zover: Pacific Standard Time (PST) ging van start, een reeks exposities in meer dan zestig musea die allemaal betrekking hebben op het onderwerp Art in LA 1945 - 1980. Pacific Standard Time duurt een klein half jaar en vindt plaats in de wijde omtrek van Los Angeles.

Ieder museum of galerie kiest een eigen thema. Het Getty Center wijdt een tentoonstelling aan de beeldhouw- en schilderkunst in de jaren 1950-1970, terwijl het Hammer Museum zich richt op de zwarte kunstenaars van LA in de periode 1960-1980, met de indrukwekkende expositie Now Dig This!

Na dit halfjaar hoopt Perchuk niet meer in de New York Times te lezen dat Los Angeles geen noemenswaardige kunst heeft voortgebracht, zoals hij naar eigen zeggen de afgelopen jaren drie keer heeft gedaan.

Dergelijke misvattingen vragen om een enigszins polemische aanpak, vindt de adjunct-directeur. In Los Angeles zelf is er sinds 1 oktober, toen PST van start ging, geen ontkomen aan.

Wat meteen opvalt is dat het niet alleen kunstenaars en museumconservatoren zelf zijn die de aandacht op het ambitieuze project willen vestigen, maar dat rockmuzikanten voor een kostbare publiciteitscampagne zijn ingezet. Zo bracht de Los Angeles Times een paginagrote advertentie waarin Anthony Kiedis, zanger van de Red Hot Chili Peppers, met ontbloot bovenlijf is gefotografeerd. Niet om de nieuwe plaat van zijn band aan te prijzen, maar het werk van kunstenaar Ed Ruscha: Kiedis celebrates Ruscha, luidt de tekst onder de foto.

Het is niet zo gek dat rockmuzikanten worden ingezet, want zeker in de jaren zeventig vond er aan de Amerikaanse Westkust een aardige kruisbestuiving plaats tussen kunstenaars en muzikanten. Het opvallende is dat er over de Californische muziekscene van voor 1980 dezelfde misvattingen heersen waar Perchuk binnen de beeldende kunst zo de pest aan heeft.

Punk in Los Angeles is te verwaarlozen als je de impact ervan vergelijkt met die van New York of Londen. In New York had je immers de fameuze club CBGB's met bands als de Ramones en Blondie; Londen bracht de Sex Pistols en The Clash voort.

De geschiedschrijving over de Californische punk in de jaren 1977-1980 wordt nog altijd zo samengevat: Los Angeles had geen punk die verder kwam dan de Californische grens. Het werd daar pas wat na 1980 met bands als Dead Kennedys en Black Flag. Of nog later toen Californische punk zichzelf zou transformeren tot de veel meer fysiek gerichte hardcore-stroming.

Maar ook dat is een misvatting, bewijst PST met de tentoonstelling Under The Big Black Sun, die nog tot februari te zien in The Geffen Contemporary, een nieuwe dependence van het Los Angeles Museum Of Contemporary Art (MOCA). De expositie richt zich op de jaren 1974 - 1981, een periode afgebakend door het aftreden van president Nixon in 1974 en de inaugeratie van Ronald Reagan in 1981.

Volgens curator Paul Schimmel was dit een cruciale periode in de Amerikaanse cultuurgeschiedenis. Het waren jaren waarin het Californian dreaming definitief voorbij was. De goedwillende hippiegedachten hadden niks opgeleverd; na Watergate en Vietnam was er weinig optimisme. Maar, zo stelt het museum, 'de dystopische atmosfeer van de jaren zeventig creëerde een artistiek milieu dat alles onder de zon leek te behelsen.'

Beeldende kunst, grafische vormgeving en de eerste videokunst vonden elkaar en do-it-yourself was het sleutelwoord. Een term uit de punkcultuur, waarbinnen bandjes niet meer met hun demo's langs de deuren van grote platenmaatschappijen leurden, maar hun muziek zelf uitbrachten op eigen platenlabels.

De tentoonstelling is vernoemd naar een album van de punkrock-band X, uit 1982. Muziek speelt dus een belangrijke rol in de expositie. Logisch, want bij het ontbreken van een galeriecircuit (daarin deed Los Angeles wel onder voor New York) ontmoetten jonge kunstenaars elkaar tijdens popconcerten of in andere clubs. Een kruisbestuiving tussen muziek en kunst was dus onvermijdelijk.

Aan het werk van Bruce Conner valt goed te zien dat kunstenaars voor inspiratie veel buiten hun studio en atelier kwamen. Zo is er van hem naast de video Crossroads (1976), waarin beelden van een testontploffing van een neutronenbom vertraagd worden, ook een reeks foto's van live spelende punkbands te zien.

Om een indruk te krijgen hoe de muziek die in Los Angeles en andere steden aan de Westkust in die tijd klonk, is er een filmzaaltje ingericht. Daarin worden korte fragmenten vertoond van bands als Screamers, Dead Kennedys, Cramps, Black Flag en de Gun Club. De filmpjes zijn veelal in 1979 gedraaid in piepkleine zaaltjes door Joe Rees die met de camera's van Moving Target 77 heel dicht op de huid van de muzikanten kwam. Of je nu naar Jello Biafra van de Dead Kennedys kijkt, of naar een nog heel jonge Jeffrey Lee Pierce die met zijn Gun Club een prille versie van het inmiddels klassieke Sex Beat speelt: je ziet muzikanten die spelen vanuit noodzaak. Hier staat iets op het spel, denk je, dit is niet zomaar een beetje muziek maken voor de lol.

Of het de bedoeling van de samenstellers van de tentoonstelling is, is niet duidelijk, maar opdringerig zijn de geluiden van buiten wel als je zo luistert en kijkt naar de punkbands. Een luid zoemen van bijen, die van de video Immersion (1973-1976) van Mark Thompson komen, geven in elk geval een sinistere ondertoon.

De bands en muzikanten die in de tentoonstelling voorbijkomen, staan vaak niet op zichzelf. Ook zij hadden connecties met de wereld van de beeldend kunst, die in die jaren niet voor niks vaak hetzelfde was als de rock 'n roll.

Neem nu de broertjes Ginn. De ene had grote ambities om zelf muziek te maken, een eigen band en label te beginnen en vanuit Los Angeles langzaam naam te maken in de rest van de VS en het buitenland. Dat lukte. Zijn bandje noemde hij Black Flag, zijn label doopte hij tot SST. Allebei gelden tot op de dag van vandaag als baanbrekend voor de indie- en punkrockgeschiedenis.

En zijn broer Raymond? Die speelde aanvankelijk leuk mee, maar bleek als grafisch ontwerper net iets talentvoller. Hij leverde Black Flag bijvoorbeeld het nog altijd onverwoestbare logo met de zwarte vlakken. Ook maakte hij de even eenvoudige als doeltreffende concertposters, flyers en platenhoezen die in de expositie op een metershoge muur zijn geplakt. Raymond Ginn zou zijn naam veranderen tot Raymond Pettibon, en geniet nog altijd een groot aanzien als ontwerper.

Wat er met Gary Panter is gebeurd na de vroege jaren tachtig valt buiten het bestek van de tentoonstelling, die helaas voorbijgaat aan die andere discipline waarin beeldende kunstenaars, muzikanten en ontwerpers elkaar vonden: de stripcultuur. Panter zou furore maken als striptekenaar en was gelieerd aan het blad Raw. Zijn figuurtjes zouden bijvoorbeeld van grote inspiratie zijn voor Matt Groening bij het ontwerpen van zijn fameuze Simpsons.

Maar eind jaren zeventig maakte Panter een aantal prachtige ontwerpen voor bijvoorbeeld de band The Screamers. Die zouden zijn tekening The Screamer (1979) echter nooit gebruiken, omdat ze nooit zelf een plaat zouden uitbrengen.

Wel uitgebracht, al had de maker van de muziek er grote problemen mee, waren in 1979 drie albums van Frank Zappa. Diens platenmaatschappij, waar hij indertijd met veel stampei vertrok, bracht zonder zijn toestemming Sleep Dirt, Studio Tan en Orchesteral Favourites uit. Platen die inmiddels niet zozeer de moeite waard zijn voor Zappa-liefhebbers, maar wel voor stripverzamelaars. De prachtige hoezen zijn immers van Gary Panter.

Dat ze niet op de tentoonstelling hangen is begrijpelijk, Zappa en punkrock hadden weinig met elkaar van doen. Vreemder is het ontbreken van het knappe werk dat Panter ontwierp voor het platenlabel Ralph Records uit San Francisco. Zijn hoezen voor bijvoorbeeld The Residents zijn klassiek en invloedrijk gebleken, net als de muziek van het label.

Een curieuze omissie want Ralph Records bracht hun beste werk van de Residents, Tuxedomoon en Snakefinger precies uit in de door de tentoonstelling bestreken periode.

Ralph Records is misschien wel het beste bewijs dat er in de jaren 1974 - 1981 aan de Amerikaanse Westkust volkomen authentieke en unieke muziek gemaakt werd. Maar mogelijk vonden de curators San Francisco te ver van Los Angeles vandaan.

De paar tekeningen van Gary Panter doen echter de hoop rijzen op een expositie die deze omissie goed gaat maken.

Under The Big Black Sun, in The Geffen Contemporary At MOCA, Los Angeles, tot 13 februari 2012.

undefined

Meer over