Publieke werken in een provinciestad

HALVERWEGE DE negentiende eeuw barstten alle grote Europese steden uit de benauwde voegen van hun nog overwegend middeleeuwse stratenplan. Te veel inwoners, te veel mobiliteit, te veel diligences en rijtuigen die mekaar in de wielen reden, te veel kleine, milieuverontreinigende nijverheid op te weinig dichtbevolkt oppervlak, te veel ziektekiemen, en...

Aan de meeste vernieuwingen, die op de tekentafel als verfraaiingen waren ontworpen, ging de sloop vooraf van wat als oud, lelijk en achterhaald gold. Kadasterkaarten uit 1860 van het stadsdeel Pest van Boedapest laten een warboel zien aan stegen, sleuven en tussengangen, omringd door windmolens langs de Donau: symbolen van een voorbije welvaart. Dat kon allemaal op de schop. Riante boulevards en brede radiaalstraten kwamen ervoor in de plaats, een beetje als Parijs - maar planologische vergezichten à la Haussmann hingen toen ook in de lucht.

Dat in Wenen aan de Verschönerung kon worden begonnen zonder dat de halve stad eerst hoefde te worden afgebroken, was het gevolg van keizerlijke goedgunstigheid - of van keizerlijke capitulatie, dat is maar hoe je het bekijkt. Voor de Habsburgers was het stadshart door de eeuwen heen hun burcht geweest, en om het mindere volk op gepaste afstand te houden, lag daar een door forten beschermde gordel van niemandsland omheen. Franz Joseph (die van Sissy) was de eerste die er, na het revolutiejaar 1848, onderdanen gedoogde voor een zondagmiddagwandeling. Die concessie had hij misschien beter niet kunnen doen. Hij gaf een vinger, maar de snel in macht en aanzien groeiende burgerij eiste de hele hand: de hele groenstrook, en niet om er te verpozen, maar om er te bouwen.

De Weense Ring werd de triomf van de nieuwe bourgeoisie, die de monarchie naar de kroon stak met eigen kerken, eigen theaters, eigen opera's en eigen appartementen. Elders in de wereld werd het bevolkingsoverschot gedumpt in wat men wel huurkazernes noemde. De Weense burger betrok, recht tegenover de keizerlijke familie, zijn huurpaleis.

Hoort Amsterdam in het rijtje thuis?

Eigenlijk niet. Ook in historische zin was Amsterdam een provincieplaats: de belangrijkste stad van de belangrijkste der zeven gewesten die samen de oude Republiek hadden gevormd. Er zetelde niet eens een regering, laat staan een staatshoofd. Zelfs toen het land in 1815 een koninkrijk was geworden, resideerden de Oranjes typerend genoeg liefst in plattelandsgemeentes als Apeldoorn of Baarn - alsof ze zich nog altijd meer dienaren van de Staten voelden dan vorsten. Pas laat in de twintigste eeuw vestigden ze zich in Den Haag, terwijl ze in Amstersam toch de beschikking hadden over een paleis van jewelste. Maar in Amsterdam voelden ze zich minder thuis dan waar ook.

Londen, Parijs, Wenen en ook Boedapest waren in de tweede helft van de negentiende eeuw al miljoenensteden. Amsterdam bleef met 250 duizend inwoners een wat groter uitgevallen Haarlem. Maar naar verhouding waren de problemen er van dezelfde aard, en even nijpend, als in de grotemensenwereld: te veel mensen en te weinig aangepaste voorzieningen binnen een benauwde ruimte.

Ingrijpende renovatie was onontbeerlijk, en een ingrijpende visie wenselijk.

Maar god mag weten wat een bouwheer als Haussmann van Amsterdams zeventiende-eeuwse glorie - de grachtengordel - zou hebben overgelaten als hij de vrije hand had gekregen. Daarin, en in de grachtenrijke Jordaan, zou hij vermoedelijk graag opruiming hebben gehouden, niet alleen omdat al dat pittoreske water letterlijk de vooruitgang tegenhield, maar vooral omdat het een broedplaats was van de cholerabacterie, die met de regelmaat van de klok grotere of kleinere epidemieën veroorzaakte. En omdat het ook nog een ondraaglijke stank verspreidde.

Zo kun je zeggen dat Amsterdam van een visionair gespaard is gebleven.

Het alternatief was Hollands: veel overleg, veel regelgeving, veel gevechten tegen de bureaucratische bierkaai, en als de nood te hoog werd de inschakeling van malafide privé-aannemers en ontwikkelaars die het nageslacht zouden opschepen met bouwvallige uitleggen voor instromende armoedzaaiers.

De gemeentelijke overheid zette zich rond 1850 - de stad verkeerde werkelijk in een staat van beginnend verval, en ging bovendien gebukt onder een zware schuldenlast - mondjesmaat aan het achterstallig onderhoud: het uitbaggeren van smerige grachten, de reparatie van verwaarloosde wallenkanten en half kapotte bruggen, het verbreden van straten, de organisatie van een doelmatige stadsreiniging en een stelsel van riolering, en een soort van toezicht op wat her en der, meestal 'in het wild', werd bijgebouwd.

De geschiedenis van de dienst Publieke Werken is de geschiedenis van de kleine, ambtelijke stapjes binnen nog kleinere, civieltechnische marges. Alles wat zou kunnen zwemen naar planologische systematiek, naar avontuur of verbeeldingskracht, om nog maar te zwijgen van grandeur, ontbreekt eraan. De geest van de provincie overheerst. De geest van het rijke Amsterdamse particulier initiatief zweefde in het midden van de eeuw nog over de wateren - Sarphati misschien niet te na gesproken, maar Sarphati werd bij de toenmalige autoriteiten niet voor niets ervaren als een lastige bemoeial.

Uit de archieven van Publieke Werken putte Ida Jager het materiaal voor een proefschrift dat de periode van 1851 tot 1901 bestrijkt, en dat ze de toepasselijke titel Hoofdstad in gebreke meegaf.

Een echte bronnenstudie: het handwerk van de historicus. Maar niet zelden ook de grootste valkuil voor de geschiedschrijver, die geacht wordt de in de archieven bestorven feiten en ontwikkelingen inzichtelijk te maken, en de betrokken personages als het even kan ook nog tot leven te brengen. Dat Jager de chronologie als methode versmaadde en zich in plaats daarvan concentreerde op het doen en laten van twee topambtenaren van Publieke Werken, was uiteraard haar goed recht, maar het maakte haar opdracht des te moeilijker. Je wilt bij zo'n keuze op z'n minst die twee mannen een beetje leren kennen, en liefst ook nog hun onmiddellijke omgeving van vrienden, medestanders, rivalen en dwarsliggers.

Maar noch de hoofdinspecteur Froger, noch de stadsingenieur Van Niftrik komen als figuren uit de verf - of je moet zeggen: uit de papieren archiefmappen. Het probleem is dat Jager nooit losgezongen is geraakt van haar bronnen. Ze kent ze allemaal op haar duimpje, ze heeft er in haar lijvige dissertatie kwistig uit geciteerd, maar de achterkant van hun geheimen heeft ze niet ontsluierd gekregen, of het moest iets zijn dat we al wisten, of in ieder geval hadden kunnen vermoeden: dat de besluitvorming op het gebied van stadsherstel en stadsvernieuwing zich ook toen al voltrok in deprimerende stroperigheid.

Met haar bloemrijk en nogal omslachtig proza verhult Jager meer dan dat ze zichtbaar maakt. Ook van de prestigeruzies en ponteneurenkwesties die Froger al gauw de kop kostten, en waarin Van Niftrik de strijd om de plaats van een centraal station verloor (nooit in het IJ, vond hij mét duizenden Amsterdammers), komen we eigenlijk het fijne niet te weten - terwijl die toch in hoge mate bepalend moeten zijn geweest voor een klimaat waarin (naar het woord van de stadshistoricus Brugmans) 'voor het eerst in de geschiedenis van Amsterdam de schendende hand is geslagen aan haar even origineel als imposant stadsschoon'.

Stadsschoon is een woord dat niet schijnt te zijn voorgekomen in het woordenboek van de negentiende-eeuwse bestuurderen, en misschien nog minder in dat van hun ambtenaren. In een dik boek over Publieke Werken uit die tijd zou een elementaire analyse van dat eigenaardige gemis niet misstaan hebben.

Eén ding kunnen we er misschien uit leren: dat Amsterdam wat de negentiende eeuw betreft inderdaad niet thuishoort in het rijtje Londen, Parijs, Wenen en Boedapest.

Meer over