Publiceren heeft zijn prijs

Van oudsher is de universitair onderzoeker baas over zijn eigen geschriften. De universiteiten willen graag wat van dat recht afknabbelen....

RECHTERS en wetenschappers kunnen tegenstribbelen wat ze willen, maar universiteiten bezitten gewoon het auteursrecht op publicaties van hun medewerkers. Met die stelling gooit prof. mr. Gerard Schuijt van de Universiteit van Amsterdam deze week in het tijdschrift Informatierecht opnieuw olie op een vuur dat al brandt sinds 1912.

In dat jaar werd artikel 7 van de Auteurswet van kracht. De strekking ervan is nooit helemaal duidelijk geweest voor juristen. Goed, het auteursrecht op het rapport dat een ambtenaar schrijft, behoort toe aan zijn werkgever en mag daarom ongelezen in een la verdwijnen. De ambtenaar wordt immers betaald om rapporten te produceren. Maar is een wetenschapper ook in dienst van de universiteit om artikelen en boeken te schrijven?

Juristen kibbelen al jaren over die vraag. In 1986 laaide de discussie weer op. Hoogleraar auteurs- en informatierecht prof. mr. Feer Verkade koos in het Nederlands Juristenblad resoluut de kant van de wetenschappers. Artikelen en boeken schrijven zij vooral in hun vrije tijd en op persoonlijke titel, betoogde hij. De universiteiten moeten er met hun handen vanaf blijven.

Dat argument deugt niet, zegt Schuijt nu. 'Artikel 7 geldt ook voor bijvoorbeeld journalisten. Waarom dan niet voor wetenschappelijk medewerkers?'

Volgens Schuijt zijn de critici vooral bang voor aantasting van de academische vrijheid. Universiteiten zouden, met het auteursrecht in handen, kunnen bepalen wat een wetenschapper schrijft en in welk tijdschrift hij zijn bevindingen publiceert. Maar voor die angst bestaat geen enkele reden, zegt Schuijt.

'Een baas die zich met een stuk bemoeit, is niet juist bezig. Arbeidsrechtelijk is bepaald dat hij zich als een goed werkgever behoort te gedragen. In de journalistiek is dat bijvoorbeeld uitgewerkt in de redactiestatuten. Het komt er dus op neer dat afspraken moeten worden gemaakt tussen de universiteiten en hun medewerkers.'

Daar schuilt de aanleiding voor de hernieuwing van dit debat. Want de universiteiten zijn niet meer tevreden met de huidige afspraken. Na een jarenlange wapenstilstand, waarin het auteursrecht stilletjes aan de schrijvers werd gelaten, begonnen de instellingen eind vorig jaar het spel opeens hoog te spelen.

In een voorstel voor de CAO-onderhandelingen claimde de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) plotseling het auteursrecht op alles wat universiteitsmedewerkers schrijven, of dat nu totstandgekomen is in werktijd of daarbuiten.

De universiteiten hadden daarvoor twee redenen. Om te beginnen voelen ze zich bekocht. Ze vinden dat ze nu driemaal betalen voor hetzelfde product. Eerst geven ze hun personeel loon om teksten te schrijven. Vervolgens kopen hun bibliotheken het gepubliceerde boek of artikel van de uitgever. En dan moeten ze ook nog geld afstaan als studenten of docenten kopieën willen maken.

Dat gaat de universiteiten te ver, vooral omdat de laatste tijd de prijzen van wetenschappelijke tijdschriften de pan uit rijzen. Prijsverhogingen van meer dan 10 procent per jaar zijn volgens de universiteitsbibliotheken geen uitzondering.

Maar geld is niet de belangrijkste reden. De universiteiten willen de groei van elektronische tekstbestanden en onderwijs per computer bevorderen. Nu moeten ze nog toestemming krijgen van de uitgever of de auteur als ze een tekst elektronisch toegankelijk willen maken. Dat kost een hoop geregel. De instellingen hebben daarom liever dat daarover van tevoren afspraken worden gemaakt.

Het voorstel van de VSNU haalde het niet in de onderhandelingen. Maar de bonden wezen het ook niet resoluut af. Ze praten nog verder en de universiteiten studeren nu op een nieuw voorstel voor de CAO-besprekingen van volgend jaar.

Daar is vooral mr. Wilma Mossink van de Open Universiteit mee bezig. Zij onderzocht eerder voor het platform Innovatie Wetenschappelijke Informatievoorziening (IWI), waaraan onder meer de universiteiten deelnemen, van wie precies de auteursrechten zijn op wetenschappelijke publicaties. Haar conclusies leidden vorig jaar tot de ommezwaai bij de VSNU.

In het voorstel dat ze nu aan het schrijven is, nemen de universiteiten een flinke stap terug. 'Daarin blijft het auteursrecht bij de wetenschappers liggen', zegt Mossink.

In ruil voor die toezegging willen de universiteiten hun werknemers 'ondersteunen bij het contact met de uitgevers'. Dat komt erop neer dat de docenten en promovendi een 'standaard uitgeefmodel' krijgen voorgeschoteld, waarin zij de auteursrechten voor het elektronisch gebruik van hun geschriften licentiëren, zeg maar: verhuren, aan de universiteiten. Bovendien zullen zij afstand moeten doen van de auteursrechten op het hergebruik van hun teksten, de zogeheten reader- en reprorechten.

DAT LAATSTE zal de wetenschappers weinig uitmaken. Ze verdienen weinig aan het kopiëren van hun werk. Dat ze de auteursrechten daarop afstaan, vinden zowel hoogleraar Schuijt als zijn tegenstander Verkade een acceptabele toezegging die veel administratieve rompslomp bespaart. Maar voorlopig weet nog niemand hoeveel auteursgeld is gemoeid met elektronisch publiceren.

Wie in ieder geval zenuwachtig zouden kunnen worden als het voorstel wordt aangenomen, zijn de uitgevers. Ook zij verdienen aan de reader- en reprorechten. En ze zijn intussen druk bezig hun eigen elektronische tijdschriften en databanken op te zetten. Voor zo'n databank, bijvoorbeeld Science Direct van Elsevier Science, betalen de universiteitsbibliotheken nu nog veel geld. En vaak kunnen ze alleen lid worden van een elektronisch tijdschrift als ze ook een abonnement nemen op de papieren versie.

Daar zit de kern van het probleem. Elektronisch publiceren wordt de toekomst, denken de universiteiten. Bovendien is het vrij goedkoop om te doen. De wetenschappelijke instellingen zouden daarom graag een deel van de markt in handen krijgen, om zodoende de torenhoge kosten die uitgeverijen berekenen, te omzeilen.

Daarvoor is het auteursrecht op elektronische publicaties nodig. Niet dat de universiteiten daarmee hun werknemers zullen dwingen alleen in hun eigen tijdschrift te publiceren, zegt dr. Sjef van Erp, hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht en hoofdredacteur van het universitaire internettijdschrift Electronic Journal of Comparative Law. Maar: 'Je zou wel kunnen overeenkomen dat een artikel na publicatie in een papieren tijdschrift op de Internet-site van de universiteit terechtkomt.'

Ook dat zou de uitgeverijen geld kunnen kosten. Maar die maken zich tot nu toe weinig zorgen. Michel Frequin, secretaris juridische zaken van het Nederlands Uitgeversverbond: 'Het probleem is vooral: hoe maak je een selectie uit de informatiechaos die wordt aangeboden? Dat is altijd het vak van de uitgeverijen geweest. Daarin zullen ze hun toegevoegde waarde laten zien.'

Meer over