Provinciestad onder de loep

HET LEVEN van Mary Ann Evans (1819-1880) was heel ongewoon. Haar streng-protestantse geloof verloor zij al vroeg. Zij studeerde als autodidact diepgaand in veel disciplines - haar literaire werk zal een haast wetenschappelijke grondigheid krijgen....

Kees Fens

Pas in 1857 debuteert zij met met Scenes of Clerical Life, onder het pseudoniem George Eliot. De bewust gekozen mannelijke voornaam stichtte uiteraard verwarring. Het was Dickens die als eerste achter de naam van de auteur een vrouw vermoedde.

De grote stimulator van haar schrijverschap was de veelzijdige George (daar is haar literaire voornaam!) Henry Lewes. Met hem leefde zij ongehuwd samen (zijn vrouw wilde niet scheiden) van 1854 tot zijn dood in 1878. In mei 1880 trouwde zij met de twintig jaar jongere John Walter Cross. Zeven maanden later overleed zij. Cross zou haar eerste biograaf worden.

Zij was in alle opzichten de ongewoonste vrouw uit de Victoriaanse tijd (in 1996 publiceerde Rosemary Ashton een uitstekende biografie; eerder schreef ze de biografie van Lewes). Zij was ook de grootste Engelse auteur van de negentiende eeuw, en dat vooral op grond van haar in 1872 verschenen, zeer omvangrijke roman Middlemarch. Daarvan is nu een Nederlandse vertaling verschenen.

Middlemarch is een denkbeeldige provinciestad. De tijd van handeling ligt rond 1830, en dat was voor Eliot veertig jaar later een heel verre, andere tijd, zoals ze enkele keren al of niet ironisch opmerkt. Het stadje leeft op de tijdgrens: er hebben grote politieke gebeurtenissen plaats, de spoorwegen ontwikkelen zich, er zijn nieuwe medische ontdekkingen.

In de slagschaduw daarvan voltrekt zich het provinciale leven, in zijn kleinheid, maar ook in de individuele grootheid van enkele bewoners, met name de jonge vrouw Dorothea Brooke en de jonge arts Tertius Lydgate. Men kan hen de hoofdfiguren noemen. In de volstrektheid van hun toewijding zijn ze aan elkaar gelijk; hun kortzichtigheid in de volstrektheid zal beiden bijna ten onder doen gaan. Rondom hen is het kleine leven van vele stadsbewoners beschreven, in schitterende intriges, want alle levens raken of beschadigen elkaar.

Naar compositie is de roman een meesterwerk, een benauwend en verheffend netwerk van relaties. In de karakterisering, ook van de vele bijfiguren, is de roman niet minder groot (niemand heeft een vaste gestalte, een stabiele waarde of onwaarde ook), in de vaak daarin aanwezige ironie is het boek uniek.

Maar de beschrijving van het provinciale leven en dat van de bewoners van het stadje - een 'studie' noemt de auteur dat zelf - wil ook voorbeeldig zijn, en dat in dubbele zin: Middlemarch is de wereld in het klein; enkele keren wordt het beeld van het vergrootglas gebruikt. De auteur houdt het stadje daaronder, en een beeld van de wereld wordt zichtbaar. Maar het leven van de bewoners moet dat van de lezers ook tot herkenning (en bemoediging) van zichzelf brengen. De figuren, zeker de belangrijkste, zijn voorbeeldig. Vrij van moraliserende kanten was Eliots schrijverschap allerminst.

De beoogde veralgemening is ook zichtbaar in de structuur van de hoofdstukken. Daarin zijn beschouwende en verhalende elementen vaak gelijkelijk aanwezig. In de eerste worden essayistisch, vaak filosofisch, aspecten van het leven beschreven. Tegen de achtergrond daarvan voltrekken zich de gebeurtenissen, die door de filosofische omkadering algemene trekken krijgen. Een comédie humaine ontstaat.

Dit is het grote ervan: als in elke provinciestad gebeurt er weinig; de adembenemende indringendheid (ook de lange zinnen ontnemen je soms de adem) waarmee alles is beschreven, maakt dat weinige zeer veel, bijna alles. De grootheid van die borende en analyserende stijl in het grootste deel van de roman wordt zichtbaar tegen het einde: daar 'vertrut' het verhaal; er is geen grote stilistische greep meer. Het blijft merkwaardig - het is eerder opgemerkt - dat op dit hoge niveau soms de culinaire afkomst van de roman (de damesroman!) zichtbaar wordt.

Het proza van Eliot heeft één overheersend kenmerk: de dichtheid. Alle woorden, alle zinnen zijn naadloos aan elkaar gevoegd. Dat maakt het proza, zeker van de beschouwende onderdelen, zwaar, Duits zwaar (dat van Jane Austen is vergeleken hiermee van een ongewone lichtheid, charme ook). Het dwingt de lezer ook tot een langzaam lezen: hij moet op haast elk woord attent zijn. Het werk is geschreven voor slakken of schildpadden, uit de tijd 'toen de dagen langer waren (. . .), toen de zomermiddagen ruimer bemeten waren en de klok op winteravonden langzaam tikte', zoals Eliot over de tijd van Fielding opmerkt. Die aandacht, ook gewekt op het dwangbevel van de heel lange zinnen, wordt wel rijk beloond: zelden krijgt men per regel of alinea zoveel diepgaande informatie. Tegenover die dichtheid staat de ongemene levendigheid van de talrijke, soms lange dialogen, waarin de figuren zichzelf vaak schitterend karakteriseren, in een ernst die de gesprekken toch weer zwaar maakt. Van Virginia Woolf is de veel geciteerde uitspraak dat Middlemarch een van de weinige Engelse romans is die zijn geschreven voor volwassenen. Volwassen lezers uiteraard.

In de provincie broedt de wetenschap op eieren die nooit uit zullen komen. Dorothea trouwt met de veel oudere dominee-geleerde Casaubon. Zij wil de dienstmaagd van zijn wetenschap zijn: het werk Een sleutel tot alle mythologieën, waarvoor hij al dertig jaar materiaal verzamelt. Het portret van hem is tragisch, maar toch ook innemend; in het huwelijk, dat maar anderhalf jaar duurt - de geleerde sterft -, heeft hij in Dorothea's ogen alle grootheid verloren. Er lopen onder de dominees meer schijngeleerden rond, en enkele burgers vertonen voortdurend de pedanterie van goedkope wereldwijsheid en belezenheid. De provincialen in deze roman zijn de laatsten van de eens voor de cultuur zo belangrijke amateurs.

Bijna alle idealisme in de roman bezwijkt ten slotte aan zichzelf of aan de omstandigheden, uitgezonderd die voortkomend uit de grootheid van karakter. Dorothea is daarvan een bijna onaards voorbeeld, zoals in de prachtige slotwoorden van de roman (waarin zich ook de bedoeling van de auteur verraadt) zichtbaar wordt:

'Maar de uitwerking van haar wezen op de mensen om haar heen was van onmetelijke omvang, want de wasdom van het goede in de wereld is voor een deel afhankelijk van de gebeurtenissen die niet de geschiedenis ingaan, en dat de zaken er voor u en mij niet zo slecht voorstaan als mogelijk was geweest, is voor de helft te danken aan het getal der mensen die getrouw in het verborgene leven en die rusten in graven die niemand zoekt.'

In hun grootheid en kleinheid hebben zij in Middlemarch gestalte gekregen, zij en hun hele samenleving. De roman kan, voor wie wil, de Reform Bill in de literatuur worden genoemd. Die wet werd in 1832 uitgevaardigd en gaf stem aan de liberale bourgeoisie.

De twee vertalers, Annelies Roeleveld en Margret Stevens, hebben een uitzonderlijke prestatie geleverd.

Meer over