Provincie van de namenstrijd

De noordelijke provincie Limpopo loopt voorop met het veranderen van besmette, want Afrikaner namen. Marnix de Bruyne rijdt in een gedeukte Mazda van Johannesburg naar Soekmekaar om uit te vinden hoe het het dorp, dat hij sinds 1994 met enige regelmaat bezoekt, is vergaan in het lokale namendrama....

Marnix de Bruyne

‘De zwarten denken dat niets is veranderd, de blanken zeggen dat alles is veranderd. Beiden hebben ongelijk’, schrijft de Afrikaner dichteres Antjie Krog als de democratie in haar land tien jaar jong is.

De firma Rent-A-Wreck – huur een barrel – in Johannesburg, waar ik altijd mijn auto’s haal, is in elk geval hetzelfde gebleven als in 1994. Op een plank liggen de boeken met contracten van de huurauto’s onder de kaartjes ‘President De Klerk’ en ‘President Mandela’. Bij Rent-A-Wreck zijn de ex-presidenten bijnamen van de automonteurs.

Er werken ook nog grotendeels dezelfde mensen. Zoals Naughty, de Indiase bedrijfsleider, wiens leesbril het enige nieuwe aan hem lijkt sinds ik hem voor het laatst zag. Ik prijs zijn bedrijf als stabiele factor in turbulente tijden. ‘Jij noemt het stabiliteit, een ander spreekt van stagnatie’, grinnikt hij, terwijl hij mijn rijbewijs kopieert.

Ik krijg de sleutel van een witte gedeukte Mazda. Na gestart te hebben, doe ik de ruitenwisser aan in plaats van de richtingaanwijzer – de standaardvergissing van rechtsrijders – en draai het asfalt op.

Op de lantaarnpalen van Johannesburg zie ik de reclames voor The Star van die dag in de zon hangen. BLANKEN KRIJGEN OOK AIDS, lees ik in chocoladeletters. Het vertrouwde actualiteitenprogramma SAFM, de thermometer van de natie, besteedt aandacht aan de landelijke campagne tegen huiselijk geweld. Een blanke beller klaagt over de ‘eenzijdige’ campagne. Mannen worden ook vaak door vrouwen geslagen, zegt hij.

Wachtend voor het stoplicht koop ik dagblad The Star bij een van de krantenjongens langs de weg. De bedelende zwarte jongen naast hem heeft nu eens niet ‘no job, no money, no food’ op een bord geschreven, maar ‘mijn kat is gearresteerd omdat hij kipfilet stal van de buren en nu heb ik geld nodig voor de borgsom’. Met mijn rechterarm hangend uit het open raam, rijd ik verder. Het is fijn weer in Zuid-Afrika te zijn.

Nog midden in Groot-Johannesburg, voor ik de N1 opdraai naar het noorden, zie ik een fris, groen verkeersbord boven de snelweg hangen. Polokwane staat erop. Het is de nieuwe naam voor Pietersburg, hoofdstad van de provincie Limpopo.

De provincie Limpopo is koploper in Zuid-Afrika wat de herziening van besmette namen betreft. Haar eigen naam, gelijk aan de grensrivier met Zimbabwe, is mooier dan ‘Noordelijke Provincie’, zoals ze in 1994 nog heette. Dat de oorspronkelijke naam Pietersburg zou verdwijnen, begreep ook iedereen: geen zwarte Zuid-Afrikaan had iets met de Afrikaner generaal Piet Joubert die nog tegen de Britten vocht, de oorspronkelijke naamgever. De nieuwe naam Polokwane betekent ‘veilige plek’ in de lokale taal Noordelijk Sotho, een neutrale, sympathieke benaming. Maar tegen de naamsverandering in veel andere stadjes in de provincie, is verzet gerezen.

Een van de redenen dat ik in 2006 opnieuw naar Soekmekaar rijd, het dorp dat ik sinds 1994 volg, is om uit te zoeken of dit dorp zijn naam zal behouden.

Als ik weer eens rechts gepasseerd word door een auto die zeker 150 kilometer per uur rijdt – I Believe staat op zijn gepersonifieerde nummerbord, alsof de bestuurder geen ongeluk te vrezen heeft – zie ik de afslag voor Warmbaths. Dat heet inmiddels Bela-Bela: ‘hete bron’, een letterlijke vertaling in het Noordelijke Sotho.

Verder naar het noorden, op 170 kilometer van Johannesburg, passeer ik de afslag naar Nylstroom. Het dorp dankt zijn naam aan Afrikaner Voortrekkers, de eerste blanke kolonisten, die in de 19de eeuw naar het noorden trokken. Daar stuitten ze op een rivier waarlangs papyrusplanten groeiden. Ze meenden de Nijl te herkennen uit de bijbel en noemden die plek Nylstroom. De naam heeft geen politieke achtergrond, maar toch heet Nylstroom nu Modimolle, tot afgrijzen van zijn blanke bewoners. Naamgever is nu de rotsachtige berg buiten het dorp waar volgens de zwarte dorpelingen hun voorouders huizen.

Ik heb over de naamsveranderingen gelezen in de artikelen van Retha Fourie, correspondent van dagblad Beeld in de Polokwane. Vlak voor mijn komst schreef Fourie dat de naam van die provinciehoofdstad de lading eigenlijk niet dekt. ‘Die voormalige Pietersburg se nuwe naam, Polokwane, wat ‘plek van veiligheid’ beteken, is ironies, want die stad is nie meer veilig nie’, citeert ze het hoofd van de Kamer van Koophandel in een artikel over een gewelddadige roofmoord op een blanke tractorhandelaar.

‘Ik ben in therapie,’ verzucht Fourie, als ik uren later naast haar neerstrijk op het zonovergoten terras in het als een dambord aangelegde Polokwane. ‘Anders kan ik mijn werk niet meer aan. Al die gruwelijkheden’, zegt de blonde alleenstaande moeder. Steeds moet Fourie met de politie mee als er een stadsgenoot of Afrikaner boer wreed is omgebracht bij een overval, want daar ligt toch de eerste interesse van haar Afrikaner lezers.

Aan andere achtergrondverhalen over haar provincie komt ze zelden toe. Maar over de namenstrijd weet ze alles. Zo waren de meeste blanke bewoners van Potgietersrus not amused dat hun stadje een nieuwe naam kreeg. Het heette naar Piet Potgieter, een Voortrekker-leider, die in de 19de eeuw streed met koning Mokopane.

Potgieter kwam in de regio wraak nemen: de zwarte leider had zijn neef gevangen genomen en levend gevild omdat, zo wil de overlevering, Mokopane zijn ingewanden wilde gebruiken voor muti, kracht gevende middelen voor zijn jagers.

Piet overleed bij de strijd tegen Mokopane, en ter ere van zijn graf kreeg het dorp de naam Potgietersrus. Maar nu heet hij Mokopane. ‘Ironisch’, noemt Fourie dat. ‘Een plaats mag niet naar een Voortrekker heten die zwarten doodde, maar wel naar een zwarte koning die mensen liet villen.’

Maar Soekmekaar, hoe liep het daarmee af? Het dorp is vernoemd naar twee landmeters die elkaar kwijtraakten in de mist, en draagt daardoor mogelijk de minst besmette naam van de provincie. ‘Soekmekaar heet nu Molemole’, zegt Fourie stellig. Het kan niet waar zijn, werp ik tegen: bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen viel Soekmekaar al in een gemeente die Molemole heette.

Fourie schrikt. Ze houdt er niet van verkeerde informatie te geven. Ze snapt het ook niet: de voorzitter van het Limpopo-plaatsnamencomité had haar deze naam echt doorgegeven toen ze hem hierover benaderde. We pakken het nieuwste telefoonboek erbij. ‘Soekmekaar: zie Morebeng’, staat er.

De volgende dag rijd ik naar het dorp, door een landschap dat boven Polekwane direct begint te glooien. Ronde rotsheuvels steken als reusachtige kinderkopjes boven de schaarse begroeiing uit.

Een zo’n ‘koppie’ langs de weg rijd ik op, zoekend naar het monument ter ere van de Kreeftskeerkring die hier loopt. Het blijkt een metershoge, metalen pilaar met een zilveren wereldbol boven in. Het is een monument van saaiheid en vergane glorie: het opschrift mist enkele letters. Maar het uitzicht vergoedt veel: de koppies in de verte en imposante cactusbomen dichterbij.

Nog twintig kilometer kaarsrecht, leeg asfalt wacht me, voor ik bij het dorp ben dat ik zo goed ken. Ik rijd langs onafgebroken prikkeldraad dat onzichtbaar vee moet tegenhouden, spaarzaam onderbroken door toegangshekken waarachter karrensporen tussen de boompjes verdwijnen richting verre boerderijen. Dan een bomenrij, de afslag naar links. Daar zie ik dat het bord ‘Welkom in Soekmekaar’ nog fier overeind staat. Een vreemd gevoel van opluchting overvalt me: Morebeng bestaat voorlopig alleen nog in het telefoonboek.

Ik maak even een rondje door een van de vier zijstraten, langs de lage bungalows met grote tuinen, keurige hekjes en veel groen. Het Soekmekaar Slaghuis is nu hip turkoois geschilderd, maar de Boeresaal en de spitse, modern ogende Nederduits Gereformeerde Kerk, omringd door een onberispelijk gazon met hoge, ranke bomen, zijn onveranderd. Dan rijd ik naar het township Nthabiseng.

In 1994 vond ik de betekenis in Noordelijk Sotho, ‘plezier’, maar een cynische benaming. Maar nu ik de heuvelflank met het township in de zon zie liggen, met de door de regering gebouwde piepkleine huisjes in vrolijke pasteltinten erop, de ‘tworooms’, vind ik de naam al toepasselijker.

Ik draai de nog altijd ongeasfalteerde zandweg op, op weg naar vriend, vertaler en gids Zacharia. Staand in de zon praten we bij en vertelt hij grijnzend over het lokale namendrama.

De blanke boeren in de omgeving wilden de naam Soekmekaar, naar die landmeters die elkaar kwijtraken in de mist, behouden. Dat maakten ze duidelijk tijdens een inspraakavond in de zaal van het gemeenschapscentrum van Nthabiseng.

De zaal zat echter vol met leden van de Morebene-gemeenschap. Deze had vroeger rond het dorp gewoond, maar was tijdens de apartheid verdreven. Nieuwe wetten maakten het mogelijk het land terug te claimen, wat ze met succes hadden gedaan. Zij wilde dat het dorp genoemd zou worden naar de Morebeneboom, die een belangrijke rol speelt in hun tradities.

De misschien dertig blanke boeren, die naast elkaar zaten op een van de eerste rijen, hadden al snel door dat behoud van de naam Soekmekaar, wat ze het liefst wilden, uitgesloten was: de hele zaak was goed voorbereid, om niet te zeggen: voorgekookt.

Een aantal boeren stapte daarom vroegtijdig op. Eén van hen nam het woord, in perfect Noordelijk Sotho. ‘Verspilling van geld’, noemde hij de hele omdoopoperatie. Dat kon beter worden besteed aan het op tijd legen van de septictanks, waarop de wc’s van veel huizen in het dorp uitkomen. Soms rook het hele dorp naar stront, door het lakse optreden van de gemeente.

‘Ik stel daarom voor Soekmekaar voortaan Masepa te noemen, ofwel kak!’, zei hij. Zacharia schatert het uit, als hij dit vertelt. Masepa werd het uiteraard niet, wel Morebeng. Maar zelfs Zacharia heeft het gewoon nog over Soekmekaar.

Meer over