Pronken met eigen veren

Iwan Brave keerde twee jaar geleden terug naar zijn geboorteland Suriname. Wekelijks beschrijft hij zijn ervaringen...

Het leek een opstootje, die menigte bij het standbeeld van de vrijgelaten Kwaku dat op het drukke kruispunt staat. Nieuwsgierig stapte ik uit de bus. Het standbeeld was voorzien van een verse laag zwarte lak. Ernaast was een fakkel ontstoken. De ringen om de pols van Kwaku hadden nieuwe kettingen gekregen. Dit om de 'keti koti' - de gebroken ketens - te accentueren. Er werden gedichten voorgedragen en speeches gehouden. Na het plengoffer dansten en zongen vrouwen in klederdracht op de Afrikaans getinte klanken van de kawinaband. Dit alles ter herdenking van Keti Koti: 135 jaar afschaffing van de slavernij.

Hoewel het standbeeld ook mijn vrijheid symboliseert, betekent het voor mij niet hetzelfde als een monument voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. De slavernij staat daarvoor te ver van me af. Ik ben het schoolvoorbeeld van de zwarte in de Afrikaanse diaspora, die zijn eigen historie niet kent.

Als Nederlands kind heb ik trots de lessen aangehoord over de Gouden Eeuw en de heroïsche zeeslagen tegen de Engelsen en de Spanjaarden. Trots banjerde ik door het Rijksmuseum om het rijke 'vaderlandse' erfgoed te bekijken.

In het begin van de jaren negentig had ik een interview met de dijkgraaf van Noord-Holland over de afkalvende Egmondse stranden. Juist omdat ik zo onder de indruk was van de goed onderhouden historische bestuurskamer, realiseerde ik me opeens dat mijn trots neerkwam op 'pronken met andermans veren'. Van de gedistingeerd kijkende regent op het schilderij aan de muur, dacht ik: zijn generatie heeft mijn voorouders afgeranseld. Verder dacht ik er niet over na, maar het eerste haarscheurtje in mijn geadopteerde trots was aangebracht.

Hier in Suriname ontdek ik mijn eigen veren. Het is geen preoccuperend proces van culturele 'genezing'. Het is meer een kwestie van ongedwongen wetenswaardigheden - soms triviale - tot me nemen en een beschouwende visie hebben op een samenleving waar ik geen vreemde eend in de bijt ben.

Inmiddels weet ik dat de naam Kwaku 'woendag' betekent, de dag dat de slavernij in Suriname op 1 juli 1863 werd afgeschaft. In Afrikaanse culturen is het de gewoonte dat je wordt vernoemd naar de dag van je geboorte.

'Je kunt als etnische groep pas goed meekomen als je je bewust bent van je eigen cultureel. Dat maakt dat je sterk staat', zei me onlangs een man die zich zeer bezighoudt met de roots van zwarten. Ik interviewde hem voor de Ware Tijd in verband met het bevrijdingsjubileum. 'De sociaal-econmische positie van de Afrikaanse Surinamer is op het ogenblik van dien aard dat hij maatschappelijk in de problemen komt en steeds moeilijker mee kan', voegde hij eraan toe. Mijn magere culturele identiteit is dus geen uitzondering.

De afschaffing van de slavernij wordt niet meer herdacht als 'de dag der vrijheden', een naam die was ingegeven door de 'verbroederingspolitiek' die creoolse en hindoestaanse leiders in de jaren zestig predikten. Ideologisch wel mooi, maar te vaag. Vanaf dit jaar heet het weer gewoon 'Keti Koti', ter versterking van het zwarte historisch besef.

Ook het 'zelf herschrijven' van de eigen geschiedenis gebeurt steeds meer. Zo dringt de afro-Surinaamse beweging aan op het vernoemen van de Heiligenweg naar Kodyo, Mentor en Predent. Deze gevluchte en opstandige slaven hadden het pand van een slaveneigenaar in brand gestoken en veroorzaakten daarmee een 'grote stadsbrand'. Het is 165 jaar geleden dat zij 'ter afschrikking' als 'brandstichters' aan dezelfde Heiligenweg levend werden verbrand.

Regisseur Frank Zichem was afgelopen weken in zijn geboortestad voor een documentaire over Louis Doedel, die in de jaren dertig als eerste een vakbond oprichtte en duizenden arbeiders op de been kreeg. Het koloniaal bestuur zag zo veel emancipatie niet zitten en verbood de vakbond. In 1937 wilde Doedel een petitie aanbieden aan de gouverneur. Hij smeerde zich eerst in met pimbadoti - witte kleipoeder - omdat de residentie verboden terrein was voor zwarten.

Doedel werd niet ontvangen. Volgens de mondelinge overlevering toonde hij daarom zijn ontblote achterwerk aan de gouverneur. In elk geval werd hij op last van het gezag weggestopt in de psychiatrische inrichting Wolfenbuttel, waar een regime heerste zoals in de film One flew over the cuckoo's nest. Hij zat er - door iedereen vergeten - 43 jaar, tot zijn dood in 1980. Een vroegere vakbondskameraad, die ook in Wolfenbuttel opgesloten zat en later naar Nederland vertrok, haalde hem pas in 1975 uit de vergetelheid.

Het is de in Nederland geboren Nina Jurna die het lot van haar oudoom onder de aandacht van regisseur Zichem bracht. Zijn documentaire moet een 'krankzinnige' rehabiliteren tot dé grondlegger van de Surinaamse vakbeweging: een titel die officieel de blanke pater Weidmann is toebedeeld.

Halsreikend kijk ik uit naar de naamsverandering van de Heiligenweg en naar de documentaire. Volle bezinning of niet: de eigen veren - hoe donzig ze ook zijn - bevallen me wel.

Meer over