Professor Fischer versus verzekeraar Fischer

Eric Fischer leidt een dubbelleven...

Directeur Eric Fischer van het Verbond van Verzekeraars komt de twijfelachtige eer toe deze week het hardst van allemaal te hebben geroepen dat het belastingplan van Vermeend/Zalm - de tweeëiige paarse tweeling van Financiën - niet deugt.

Dat komt: Fischer heeft het lobbyspel deze keer verloren. Naast fraais als een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op consumptie en milieu, en het schrappen van wat aftrekposten ter financiering van een verlaging van de tarieven van de inkomstenbelasting, bevat het belastingplan namelijk ook een plannetje om een einde te maken aan fiscaal gedreven verzekeringsproducten. Dat vinden verzekeraars niet leuk, en Fischer verwoordde de gramschap van zijn broodheren.

Stelde Vermeend dat het de verzekeraars aan ondernemerszin ontbreekt: 'Als ik in die (verzekerings-)branche had gezeten, zou ik allang een nieuw product hebben bedacht.' Riposteerde Fischer in NRC Handelsblad: 'Dat is typisch een opmerking van iemand die nog nooit een polis heeft verkocht. Hij heeft absoluut geen verstand van de praktijk. Ik schaam me ervoor dat het een partijgenoot van mij is.'

Hatsekidee.

Het geval wil dat Eric Fischer ook nog een ander leven leidt. De voormalig directeur van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis - die zelf trouwens ook nimmer een verzekeringspolis aan de man bracht - heeft zijn liefde voor de historische wetenschap nooit afgezworen. Op 27 januari van dit jaar aanvaardde hij, overigens vijf jaar nadat hij in dienst was getreden, de bijzondere leerstoel bedrijfsgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam met de oratie: Concurrentie, een onderbelicht thema in de Nederlandse bedrijfsgeschiedenis.

Dit geschrift van Professor Fischer werpt een aardig licht op de opmerkingen van Directeur Fischer. Het thema van de oratie is tweeledig: hoe gaan bedrijfshistorici om met concurrentie (beroerd, stelt Fischer, en hij doet zinnige aanbevelingen voor verbetering), en hoe gaan ondernemers om met concurrentie. Dat laatste is natuurlijk op dit moment het leukst.

Dantzig, zo begint hij zijn oratie, was vierhonderd jaar geleden een stad waar wevers goed geld verdienden. Totdat een werktuigbouwer een verbetering aanbracht in het weefgetouw. De productiviteitsgroei was astronomisch. 'Ook het stadsbestuur hoorde van de uitvinding en van het rumoer daarover', schrijft Fischer. 'De nieuwe techniek zou de productiekosten zeer aanzienlijk doen dalen, maar betekende eveneens dat een groot aantal wevers werkloos zou worden. Na enige deliberatie had het stadsbestuur de oplossing gevonden: men nam het besluit om de uitvinder heimelijk te laten wurgen. En aldus geschiedde.'

Verander wevers in verzekeraars; verander uitvinding in belastingplan en uitvinder in Vermeend; verander tenslotte stadsbestuur in Verbond van Verzekeraars - en u krijgt inzicht in de moorddadige neigingen van het Verbond.

Professor Fischer beziet dit met wetenschappelijke distantie. Hij constateert dat bedrijfstakken voortdurend worden opgeschrikt door veranderingen - vaak door technologische schokken, maar soms ook door ingrijpen van de overheid - en dat de bedrijven die hierop slecht reageren het loodje leggen.

Illustratief is dat de bloei van de Twentse textielindustrie na 1830 in gang werd gezet door overheidsingrijpen: na de Belgische opstand verbood koning Willem I de export van katoen door Belgische ondernemingen. Twente profiteerde.

Professor Fischer realiseert zich ook dondersgoed dat gevestigde belangen - zeg: verzekeraars - gaan kermen als hun geprivilegieerde positie wordt bedreigd. Met veel instemming citeert hij een Amerikaanse staatscommissie uit 1937: 'Er is altijd verzet gekomen van gevestigde belangengroepen die hun bezit en inkomen bedreigd zagen door de introductie van nieuwe uitvindingen. Tegen spoorwegen kwam verzet van de zijde van eigenaren van tolwegen en postkoetsen. Het gebruik van gas voor verlichtingsdoeleinden werd tegengewerkt, aangezien het de walvisolie-business zou vernietigen. Weer later zou de introductie van elektrisch licht bestreden worden door het gasbedrijf. De telefoon werd geïntroduceerd ondanks het bittere verzet van de telegraafmaatschappijen.' Enzovoort. En, ben je geneigd hier achteraan te schrijven: Het afschaffen van malle belastingconstructies werd tegengewerkt door het Verbond van Verzekeraars.

Wat vindt Fischer - directeur, professor, mens - hier zelf van?

Nou, zegt hij donderdagavond vanuit de auto op weg naar huis. 'Wetenschappers, kunstenaars en journalisten proberen tot een afgewogen beeld van de werkelijkheid te komen. En in het dagelijks leven behartig ik de belangen van de verzekeraars.' Problemen heeft hij er eigenlijk nooit mee gehad. 'Als hoogleraar bemoei ik mij met de verleden tijd; als directeur van het Verbond met de tegenwoordige tijd.' En die twee tijden komen elkaar zelden tegen.

Dat is ook zo. Maar toch is het onmogelijk de verleiding te weerstaan om te vragen: Welk advies zou Professor Fischer geven aan Directeur Fischer?

Enerzijds zou Professor Fischer vermoedelijk wijzen op het succes van een aantal lobby's-tegen-de-vooruitgang. Naast het verhaal over de heimelijk gewurgde uitvinder uit Dantzig, zou hij andermaal kunnen verwijzen naar het vooroorlogse Amerikaanse rapport: 'Hoewel het bedrijfsleven vele nieuwe vindingen ontwikkelt en aanwendt, zijn er ondernemingen die zich zo nu en dan met succes verzetten tegen het aannemen van wetten, die van hen verlangen dat zij moderne verbeteringen in het productieproces toepassen.'

Maar anderzijds zou het schetsen van een 'afgewogen beeld' van de werkelijkheid toch vereisen dat Professor Fischer het Verbond duidelijk maakt dat de lobby weinig kans maakt. En nalaten zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden kan 'zelfs tot het faillissement van de onderneming leiden'.

Meer over