Prof. Mr. Pieter

Het was een lange weg: gewone jongen uit de Rotterdamse bourgeoisie, Leidse corpsbal die als eerste burger een Oranje aan de haak sloeg, pianospelende clown en ten slotte voorzitter van de - onafhankelijke! - Onderzoeksraad voor Veiligheid...

Pieter van Vollenhoven , zegt Bram Peper, die kon je midden in de nacht wakker maken, en dan riep hij: ‘Onafhankelijk!’ Bij wijze van spreken dan. Dag en nacht was hij ermee bezig, dat er een onafhankelijke Onderzoeksraad voor Veiligheid moest komen. Ergens in de jaren tachtig deed hij dat idee op, en daarna begon hij aan een lang gevecht om het gerealiseerd te krijgen. Een gevecht van 22 jaar.

Peper was zestien jaar burgemeester van Rotterdam, stad van de Van Vollenhovens, had in zijn hoedanigheid van minister van Binnenlandse Zaken in het tweede Paarse kabinet te maken met de veiligheidsjunk én hij was enige tijd partner van Neelie Kroes – die in háár ministersperiode voortdurend op ramkoers lag met mr. Pieter, maar die dankzij bemiddeling van Peper later met hem bevriend raakte.

Wie zág Bram Peper, toen Pieter van Vollenhoven donderdag het rapport van de onafhankelijke Onderzoeksraad voor Veiligheid over de Schipholbrand presenteerde, een rapport dat een paar uur later twee ministers en een burgemeester tot aftreden zou dwingen?

Wat stond daar voor man?

Peper: ‘Ik zag iemand die eindelijk een prestatie van formaat kon laten zien.’

Wie zag Joop van den Berg, oud-lid van de Eerste Kamer en hoogleraar parlementaire geschiedenis in Leiden en Maastricht?

Hij zag een man ‘die zich elke minuut bewust is van de consequenties van zijn handelen en woorden. Een man die dat met tamelijk harde hand heeft geleerd, die op eieren heeft leren lopen. En dat zonder karakterloos te worden. Iemand die het thema van de veiligheid heeft veroverd en die met consequente stappen steeds beter is geworden.’

En wie zag Dorine Hermans, auteur van de voortreffelijke biografie Pieter van Vollenhoven , burger aan het hof ?

‘Ik zag een man met een doorwrocht, bijna grimmig gezicht. Een gezicht waarop nog het verdriet stond te lezen om het overlijden van zijn enige broer, op 12 september. Er was niets triomfantelijks in dat gezicht. Het klinkt raar, maar dat droeg bij aan zijn goede uitstraling.’

Ja, Bram Peper kent hem goed, prof. mr. Pieter van Vollenhoven , 67, op 10 januari volgend jaar veertig jaar echtgenoot van prinses Margriet, vader van vier gezonde zonen en inmiddels vijfvoudig grootvader. Pieter van Vollenhoven , zegt Peper, daar kun je mee lachen. Goed gevoel voor humor, neiging om zichzelf niet al te serieus te nemen. Gelukkig maar trouwens, denkt Peper, want anders was hij net als zijn zwager Claus misschien wel in psychische problemen gekomen ‘of aan de drank geraakt’.

Gewone jongen

Want introuwen in de bekendste familie van Nederland, dat valt nu eenmaal niet mee. Dat viel veertig jaar geleden al helemáál niet mee. Zeker niet voor een gewone jongen uit de Rotterdamse bourgeoisie, zoals Pieter van Vollenhoven . Een Leidse corpsbal die niet alleen de eerste burger was die een Oranje aan de haak sloeg, maar zelfs de eerste Nederlander in de historie die trouwde met een lid van het Koninklijk Huis.

Daar waren ze dan ook helemaal niet blij mee, aan het hof. Naar verluidt stond zijn schoonzus, de aanstaande koningin, ‘te stampvoeten’ van woede, toen ze het nieuws hoorde dat haar zus wilde trouwen met een burgertype. Ook zijn schoonvader was er weinig gelukkig mee. Tijdens zijn huwelijkstoespraak zei hij dat Pieter er niet van uit moest gaan nu in het paradijs terecht te zijn gekomen. En, waarschuwde de prins uit eigen ervaring: ‘Voor het vinden van je weg in de toekomst zal je huwelijk een handicap zijn bij het scheppen van een eigen arbeidssfeer.’

Dat waren zonder meer profetische woorden.

Wat zich donderdag afspeelde in Den Haag, was veel meer dan de presentatie van een rapport van een onderzoekscommissie over een dramatische gebeurtenis. Zeker voor mr. Pieter van Vollenhoven . Voor hem was het de afronding van een lang gevecht. Het aftreden van de bewindslieden Dekker en Donner vormde een paar uur later in zekere zin het definitieve bewijs voor zijn gelijk: dat onderzoek naar rampen door een onafhankelijke instantie moet plaatsvinden, omdat er anders – wanneer ‘de slager zijn eigen worst keurt’ – zaken onder de pet blijven en verantwoordelijkheden worden ontlopen.

Maar het was nóg meer, wat zich voor de ogen van heel Nederland voltrok, het ging nog dieper. Wat we zagen was de climax van een lang gevecht om erkenning, van een zoektocht naar zingeving en respect. De queeste van een man die inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd was gepasseerd. Een man die door het lot in omstandigheden belandde die hem feitelijk veroordeelden tot het lege leven van de echtgenoot van de zus van de kroonprinses/koningin. Beetje skiën, golfen, lintjes doorknippen, jagen.

Beetje als een sukkelaar wachten op het einde, als een voorschot op de eeuwige rust van de grafkelder te Delft.

En daar had Pieter van Vollenhoven bepaald weinig trek in.

Maar wat moest hij doen? Wat kón hij eigenlijk?

Zijn Leidse vrinden gingen voor een academische loopbaan, of werden investment banker in New York. En ze keken met medelijden naar hun oude makker, die manmoedig stond te zwaaien op het bordes van Soestdijk en van wie ze wisten dat hij in de koninklijke familie werd gezien als een ‘rotte peer’, een outcast.

Onder het volk ontstond al spoedig de opvatting dat Pieter van Vollenhoven eigenlijk niets kon. Ja, beetje pianospelen en auto’s in de prak rijden. Beetje de clown uithangen, met die grote oren van ’m, als er weer een zoon was geboren (‘We gaan door tot we een dochter krijgen’). Beetje de ouder wordende Leidse bal uithangen, inclusief kakaccent.

Maar toen hij de dertig al was gepasseerd en vader was van twee kinderen, had hij nog altijd geen baan en moest zijn schoonvader er met een speciale adviescommissie van ‘vrindjes’ aan te pas komen om hem aan werk te helpen. Nou ja, werk. Stages waren het. Zo kwam hij bij Akzo terecht, en later bij de KLM.

Pieter keek er later met weinig plezier op terug. ‘Ik kreeg bij die stages een mooie kamer, een mooie secretaresse, en oude dossiers. Als ik een jaar in die oude dossiers had gekeken, moest ik weer weg.’ Vernederend was vermoedelijk het juiste woord.

Ze namen hem niet serieus. Bij Akzo niet, en bij de KLM ook niet. Later, toen hij op zesmaandscontracten bij het ministerie van V&W terechtkwam, namen ze hem ook niet serieus. Kwam hij thuis, in de schoot van de koninklijke familie, namen ze hem, op zijn geliefde Margriet en de kinderen na dan, óók niet serieus. Treurige zaak.

Welkomstwoordje

In de koninklijke hofhouding deden ze eveneens hun uiterste best Van Vollenhoven zo weinig mogelijk serieus te nemen. Het koningsgezinde volk nam hem niet serieus en de republikeinen al helemaal niet. De ministers die baantjes voor hem moesten verzinnen, zagen weinig in hem en toen hij aantrad als voorzitter van de Raad voor de Verkeersveiligheid sprak een van de aanwezige topambtenaren een welkomstwoordje, waarin hij verklaarde dat alle aanwezigen in de Raad waren opgenomen op basis van hun kennis van de verkeersveiligheid, op de voorzitter na, want die zat er omdat hij was getrouwd met de zus van de kroonprinses – dat besefte de voorzitter toch hopelijk ook wel?

Ja, die wist dat allang. Dankuwel.

Zo stond het ervoor met het leven van Pieter van Vollenhoven , halverwege de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

‘Ik wil werken’, zei hij destijds, ‘maar als kennelijk niemand dat nodig vindt, zal ik wel alleen de echtgenoot van de prinses Margriet zijn.’

Pieter van Vollenhoven wist al lang dat hij door bijna niemand serieus werd genomen en dat het gehele land ervan overtuigd was dat hij een uitvreter was die voor niets deugde. Maar langzamerhand rijpte in zijn hoofd ook een idee over hoe hij dat rampzalige imago van pianospelende prins Carnaval, van koninklijke mafkees en nationale pias, kon veranderen.

Dorine Hermans, die voor haar biografie vele uren met Van Vollenhoven sprak: ‘Ooit is er door iemand van de koninklijke familie gezegd: ‘‘Het huwelijk van Pieter en Margriet zal niet langer dan vijf jaar standhouden.” Dat soort dingen moet je niet tegen hem zeggen. Hij heeft, naast zijn speelse kant, ook iets zeer vasthoudends. Op het pathologische af. Dan verandert hij in een straatvechter. In iemand die heel venijnig kan zijn.’

‘Veiligheid’, werd het toverwoord waarmee Pieter van Vollenhoven hoopte zijn leven inhoud te geven, en te ontkomen aan de koninklijke leegheid. In 1974 was hij even directeur van de Stichting Periodieke Veiligheidskeuringen Motorrijtuigen, tot die halverwege 1975 door de Tweede Kamer weer werd opgeheven. Maar Van Vollenhoven had ergens aan geroken, hij had een ontsnappingsroute herkend.

Bram Peper: ‘Er zit verbetenheid in de man. Iets van: ik zal laten zien dat ik wat kan.’

Op de Bescheurkalender van Van Kooten en De Bie stond het in 1976 nog zo: ‘Pieter van Vollenhoven is voorzitter geworden van een werkgroep die moet zoeken naar een baan voor Pieter van Vollenhoven .’

Dé kans kwam een jaar later. In 1977 riep minister van V&W Tjerk Westerterp, die zelf een kind aan een verkeersongeval had verloren, de Voorlopige Raad voor de Verkeersveiligheid in het leven. Van Vollenhoven moest de voorzitter worden. Die sprong als een bok op de haverkist. ‘Ik zag de Raad als de enige mogelijkheid om iets van mijn leven te maken’, zei hij later tegen zijn biografe.

Aanvankelijk lag minister-president Den Uyl nog dwars, omdat hij geen leden van het Koninklijk Huis wenste in politiek mogelijk gevoelige functies. Maar bemiddeling van invloedrijke vrienden hielp, Den Uyl ging schoorvoetend akkoord. Van Vollenhoven : ‘Het was alles of niets. Ik had op dit gebied niets te verliezen.’ Op 28 september 1977 werd de Voorlopige Raad voor de Verkeersveiligheid geïnstalleerd.

De maatschappelijke carrière van Pieter van Vollenhoven , op dat moment 38 jaar oud, was eindelijk begonnen.

Niet dat zijn nieuwe baan hem onmiddellijk van zijn dubieuze imago verloste. Integendeel. Veiligheid was in Nederland, ondanks de drieduizend jaarlijkse verkeersdoden van dat moment, absoluut geen item. Pieter van Vollenhoven voorzitter van de Voorlopige Veiligheidsraad? Vriendjespolitiek en bezigheidstherapie, zo luidde de bijna algemene opinie. Maar goed, hij was in elk geval van de straat.

Rotterdamse mentaliteit

Van Vollenhoven trok zich van alle scepsis ogenschijnlijk niets aan en ging aan het werk. Hermans: ‘Hij bleek een achiever. Een ongelooflijke workaholic. Thuis verweten ze hem dat hij zich alleen nog maar voor zijn werk interesseerde.’ Bram Peper: ‘Hij heeft dat doorzettingsvermogen. Die houding van: ik worstel en kom boven. Rotterdamse mentaliteit.’ Joop van den Berg: ‘Het was natuurlijk die vrolijke pianospeler, altijd een beetje studentikoos gebleven. Maar op zeker moment is hij aan het werk geslagen. Heeft bij hem het plan postgevat: zo komen ze niet van me af.’

Maar vooral: Van Vollenhoven wilde zin geven aan zijn leven en zag opeens hoe hij dat kon doen. In de twee decennia na zijn aantreden in de Voorlopige Raad voor de Verkeersveiligheid, ontwikkelde hij zich tot een autoriteit op het terrein van de veiligheid.

De definitieve Raad voor de Verkeersveiligheid (1981), de Spoorwegongevallenraad (1985), Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie (1986), Nationaal Verkeersveiligheidsfonds, het College Bevordering Veiligheidseffectstudies, de Raad voor de Transportveiligheid (1999), de Onderzoeksraad voor Veiligheid (2005): er hoefde maar ergens ‘Veiligheid’ bij te staan of Van Vollenhoven werd voorzitter – meestal had hij de betreffende instantie overigens zelf in het leven geroepen.

Hij stond ook aan de basis van verschillende internationale Veiligheidsorganisaties en een Amerikaanse deskundige noemde hem ‘de godfather van de transportveiligheidsbeweging.’ Dat had Nederland in april 1966 ook niet kunnen denken, toen er voor het eerst een vreemde snuiter op het bordes stond te glunderen.

En al die jaren herhaalde hij te pas en te onpas het woord ‘onafhankelijk’. In de VS had Van Vollenhoven al in het begin van de jaren tachtig gezien hoe een onafhankelijke instantie de oorzaak van rampen en ongelukken onderzocht, en zo moest het in Nederland ook, vond hij. Maar zo gebeurde het niet. Niet na de Bijlmerramp (1992), niet na de vuurwerkramp in Enschede (2000), niet na de Volendamse cafébrand (2001).

Maar met elke ramp en na elk onderzoek van de betreffende ramp, kreeg Van Vollenhovens niet aflatende pleidooi meer momentum. Die besefte dat. Ministers werden gek van de eeuwig bellende Pieter. Die, als hij zijn zin niet kreeg, pontificaal naar de media stapte en zijn beklag deed over het onbegrip waarop hij stuitte.

In 2005, nadat hij ook het laatste restje verzet van minister Remkes van Binnenlandse Zaken had weggewerkt, werd zijn doel verwezenlijkt, een onafhankelijke Onderzoeksraad. Van Vollenhoven opende bij de installatie zijn speech met een paar geweldige verbale oorvijgen voor de aanwezige ministers Kamp, Remkes en Peijs. ‘Ik besef dat ik knap lastig kan zijn’, zei Van Vollenhoven voorts. ‘Gevreesd moet worden dat, naarmate ik ouder word, deze kwaal alleen maar zal toenemen.’

Dat was het geval, zo bleek nadat in oktober van hetzelfde jaar brand was uitgebroken in het detentiecentrum op Schiphol.

Bram Peper: ‘Het is een taaie volhouder. Hij is zo lang niet serieus genomen door Den Haag. Maar nu wel. Hij heeft gelijk gekregen. Hij heeft zich vastgebeten en dan heeft hij ook de neiging dingen heel goed te doen. Hij heeft het onderwerp van de veiligheid op de agenda gezet. Zonder hem was die Onderzoeksraad er niet gekomen. Hij is een man die nooit opgeeft.’

Dorine Hermans: ‘Zeker, de uitkomst van het onderzoek moet hem genoegdoening geven. Hij heeft een strijd voor de veiligheid gevoerd, maar ook een strijd die veel persoonlijker was getint. Hij had ook eigen motieven. Het kan bijna niet anders, of dit was zijn finest hour. Hij is ook maar een mens. Dit was het grote moment. En dat heeft hij helemaal zelf gedaan.’

Joop van den Berg: ‘Hij heeft durf getoond, en grote morele moed. Die harde zinnen in het rapport, die hebben natuurlijk ook met de persoon van de voorzitter te maken. Kennelijk hebben ze, na de aanvankelijke kritiek van Donner op het conceptrapport, gedacht: ze hebben het daar gelet op de reacties niet goed begrepen, we moeten het nóg scherper stellen.’

We hebben Pieter van Vollenhoven eigenlijk pas de laatste vijftien jaar goed leren kennen, zegt Van den Berg, althans, ‘zijn serieuze kant’. ‘Het is kennelijk een laatbloeier. Wie weet wat ons allemaal nog te wachten staat.’

Peper: ‘Hij is tegenwoordig hoogleraar Veiligheid aan de Technische Universiteit Twente. In 2004 was ik erbij toen hij ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag een hoge onderscheiding kreeg van de Koningin. “Nu ben ik helemaal opgenomen”, zei hij toen. En in de Nederlandse samenleving is hij zo langzamerhand ook zeer geliefd aan het worden. Hij is helemaal in beeld. Het zij hem gegund. Hij heeft grote moed tentoongespreid, heeft risico’s gelopen, is echt langs te rand gelopen. Hij wilde per se iets voor Nederland betekenen, en dat is gelukt.’

Eindelijk dóet Pieter van Vollenhoven er toe. Hij wordt serieus genomen en stond dit jaar zelfs op 18 in de Volkskrant 200 van invloedrijkste Nederlanders.

Dorine Hermans: ‘Ik heb hem donderdag een sms-je gestuurd. Daarin stond: “Nu kunt u desnoods naakt op podium gaan zitten pianospelen”. Hij sms-te terug dat hij dat niet van plan was.’

‘Hij heeft iets zeer vasthoudends. Dan verandert hij in een straatvechter’

Mr. Pieter van Vollenhoven in de Tweede Kamer bij het debat over de Schipholbrand. (ANP) Beeld
Mr. Pieter van Vollenhoven in de Tweede Kamer bij het debat over de Schipholbrand. (ANP)
Meer over