Prioriteit van Rusland ligt bij het Westen

Het Russische buitenlands beleid vertoont een opvallende continuiteit. In weerwil van nationalistische uitlatingen, heeft de val van het communisme in dat opzicht niet tot een echte breuk geleid, stelt Michel Tatu....

MICHEL TATU

DE HOUDING van Rusland tegenover het Westen is altijd ambivalent geweest. Vanaf het moment waarop Peter de Grote besloot een vloot te bouwen naar Hollands voorbeeld, tot aan de inspanningen van Gorbatsjov en Jeltsin om mee te mogen doen met de G-7, wordt het buitenlands beleid gekenmerkt door een opeenvolging van periodes van vriendschap en rivaliteit, spanning en ontspanning, en dikwijls door elementen van beide tegelijkertijd.

Het buitenlands beleid heeft in het Russische openbare leven altijd ten onrechte veel nadruk gekregen. Van Catharina de Grote tot aan Jeltsin hebben Russische leiders het prachtig gevonden zich veel diepgaander met zaken op het wereldtoneel te bemoeien dan op grond van hun feitelijke macht en invloed was gerechtvaardigd.

Het Amerikaanse buitenlandse beleid bleef decennia lang beperkt tot het Amerikaanse halfrond; de Verenigde Staten werden pas een wereldmacht nadat zij een economische grootmacht waren geworden. Rusland heeft zich altijd met Europese en mondiale zaken bemoeid, terwijl het een onderontwikkeld land was - en nog steeds is - minder ontwikkeld in ieder geval - en dit is een unieke paradox vergeleken met alle andere koloniale machten - dan vele landen die tot voor kort deel uitmaakten van het Russische Rijk.

Een tweede kenmerk is de tweedeling die altijd heeft bestaan in het Russische denken over de eigen identiteit en de plaats van Rusland in de wereld. Na 1992 ontstond een ruzie tussen de 'atlantici', die men vereenzelvigde met Kozyrev, de eerst minister van Buitenlandse Zaken in de nieuwe Russische regering, en de 'euraziaten', wier groeiende invloed begin dit jaar leidde tot diens vervanging door Primakov, de huidige minister.

Deze ruzie was slechts een herhaling van de oude scheiding binnen de 19de eeuwse intelligentsia tussen 'slavofielen' en de westers gezinde 'occidentalisten'.

Voor de 'westers gezinden' ligt de prioriteit bij de integratie van Rusland in de westerse samenleving, met hier en daar een aanpassing om de Russische belangen te beschermen. Voor de anderen is Rusland zowel Aziatisch als Europees. Het heeft een duidelijke eigen rol te spelen en andere waarden op het internationale toneel uit te dragen, zelfs als het daarmee in conflict komt met de westerse mogendheden.

Een derde kenmerk is dat deze argumenten grotendeels retorisch zijn. Ze zijn van weinig invloed op de praktijk. In feite is de Russische diplomatie om verschillende redenen altijd sterk westers-georiënteerd geweest.

De eerste reden is dat een 'Aziatisch Rusland' niet alleen in Aziatische aangelegenheden geïnteresseerd zou moeten zijn, maar ook in de Derde Wereld in het algemeen. Dat is echter niet het geval. Al bestond een groot deel van het Russische rijk in het verleden (Centraal-Azië) en ook nu nog (Tatarstan, Tsjetsjenië) uit islamitische componenten, toch staan de Russen niet echt te popelen om de Derde Wereld te bestuderen en tot ontwikkeling te brengen, laat staan zich met die landen te vereenzelvigen.

De doorsnee-Rus is vaak racistisch: niet op een agressieve manier, maar 'spontaan', veel meer dan zijn westerse tegenhanger. Juist omdat hij minder ontwikkeld is dan de West-Europeaan en last heeft van een minderwaardigheidscomplex, is hij er sterker op gebrand een grens te trekken tussen het blanke en geciviliseerde Rusland en de andere , in zijn ogen 'zwarte' en achterlijke naties.

Zelfs nu verandert de nieuwe interesse in Azië die Primakov aan de dag legt niets aan deze regel. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken heeft de relatie met landen als India, Iran en Irak nieuw leven ingeblazen, niet omdat men echt in die landen is geïnteresseerd, maar omdat het toevallig oude relaties uit de communistische periode waren. Deze erfenis werd nuttig gevonden om economische redenen, maar ook om de relatie met het Westen in evenwicht te brengen; voor dezelfde opportunistische doeleinden dus als in de tijd van Brezjnev.

Wat dat betreft moeten we bedenken dat in de communistische diplomatie de prioriteit ook altijd bij het Westen heeft gelegen. Andrej Gromyko, 28 jaar lang minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, bezocht Europa en de Verenigde Staten honderden malen, maar in zijn hele ambtstermijn bracht hij maar een enkel bezoek aan Azië. Afrika en Latijns-Amerika (met uitzondering van Cuba) kwamen al helemaal niet in zijn reisschema voor.

Chroestjov was alleen geïnteresseerd in het India van Nehru en het Egypte van Nasser, omdat deze landen zich aan de westerse invloed probeerden te onttrekken. Maar de grens aan dit beleid (dat trouwens in Rusland nooit populair was) deed zich al voelen onder Brezjnev, toen de steun aan de 'vrijheidsbewegingen' en de Derde-Wereldlanden onhoudbaar zwaar op de Russische economie begon te drukken.

Hetzelfde geldt voor het ontwikkelde deel van Azië, met name voor Japan en China. Het is interessant om te zien dat aan de westelijke grens het Russische gezag en de Russische troepen zich weliswaar meer dan duizend kilometer hebben teruggetrokken, het Warschau Pact verdween en Oost-Duitsland verloren ging, maar dat Rusland desondanks tot op de dag van vandaag weigert gehoor te geven aan de Japanse eis tot teruggave van de vier kleine eilandjes van de Zuidelijke Koerilen (0,03 procent van het Russische grondgebied!) die zij zich in 1945 onterecht toeëigende.

Het feit dat deze weigering een vruchtbare economische samenwerking met Japan in de weg staat, is een indicatie voor de onverschilligheid, en dat is nog mild uitgedrukt, die de Russische politici in hun relaties met hun oosterburen aan de dag leggen.

Wat China betreft is het al sinds de tijd van de tsaren duidelijk dat in de ogen van Moskou het gigantische buurland in het oosten in het gunstigste geval een mogelijkheid bood voor koloniale expansie in de vorm van concessies en vrijhavens, in het ongunstigste geval een sta-in-de-weg vormde die Rusland afleidde van het gebied waarin het hoofdzakelijk was geïnteresseerd: Europa en het Westen.

Stalin was niet geïnteresseerd in een concurrerende communistische regering in China en probeerde die te verzwakken door China tot een confrontatie met de VS aan te zetten. Chroestjov en Brezjnev wilden vooral dat Mao zich 'koest hield' en ophield met het dwarsbomen van de Sovjet-diplomatie door verdeeldheid te zaaien in het communistische kamp en landen aan de Sovjet-invloed te onttrekken. In beide gevallen was China te groot om aan te vallen, het moest alleen worden geneutraliseerd.

Datzelfde geldt niet voor Europa, dat het voornaamste 'doel' van het Russische buitenlandse beleid was en nog steeds is. In periodes van sterkte, van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot aan de jaren tachtig, zag Rusland Europa als expansiegebied; een expansie die voornamelijk via politieke en diplomatieke invloed moest plaatsvinden, maar misschien, op de lange duur, via militaire verovering.

In periodes van zwakte, zoals nu, ziet Rusland in Europa, met name in Duitsland, een voorbeeld, een partner en een tegenhanger. Deze coöperatieve houding schakelt het traditionele minderwaardigheidscomplex - een mengeling van fascinatie, frustraties en rivaliteit niet uit, zoals we in het verleden hebben gezien.

Maar we moeten de nationalistische toon van de Russische politici - de beweringen dat Rusland 'anders' is en afkerig van westerse waarden - niet overdrijven. In de praktijk zal Rusland op het Westen blijven georiënteerd, zoals het de hele Russische geschiedenis door heeft gedaan.

Daarin kan op de lange duur verandering komen, maar voornamelijk door economische ontwikkelingen. De opkomst van het pas geïndustrialiseerde Azië zal Rusland ertoe dwingen de blik meer op het oosten te richten, net zoals de Verenigde Staten zich steeds meer op de Grote Oceaan richten. Een mogelijke Chinese militaire dreiging zal Rusland dichter naar Japan toe drijven en dat zal op zijn beurt weer leiden tot nauwere samenwerking met Tokio, om Siberië tot ontwikkeling te brengen.

Tenslotte zal Rusland de binnenlandse chaos uiteindelijk te boven komen; het land zal leren wat economische groei is en wat de rol is van de middenklasse; binnen de voormalige Sovjet-Unie zal het land werken als een magneet en een ware grootmacht worden, ditmaal met vreedzame middelen en langs de weg van internationale samenwerking.

Michel Tatu is journalist en voormalig correspondent van Le Monde in Moskou.

Dit is een verkorte weergave van een inleiding die hij 30 november heeft gehouden op een conferentie over 'Rusland, Duitsland en Europa', georganiseerd door het Duitsland Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

Vertaling: José van Zuijlen

Meer over