Prikkelende debutanten en sleetse routiniers

Nanne Tepper woont en werkt in de stad Groningen. Hij werd in 1962 geboren in Hoogezand. De eeuwige jachtvelden is zijn eerste roman....

Zo summier wordt hij ingeleid door zijn uitgever, Contact, en misschien mòet het ook wel zo met debutanten. Maar voor mij is het niet genoeg. Ik zou méér van hem willen weten. Omdat ik zijn eerste roman zo bijzonder vind.

Eenmaal eerder stuitte ik op de naam van Tepper. Toen hij een verhaal publiceerde in het tijdschrift Optima. In De eeuwige jachtvelden vertelt Tepper het verhaal van een gezin in het bijna uitgestorven Groningse dorp Oude Huizen, een vader die arts is en alcoholist, een moeder die krachtdadig de dagelijkse gang van zaken bestiert en drie kinderen, Victor, Lisa en Anna.

Wat deze vijf met elkaar verbindt is niet eenvoudig te zeggen, maar 'liefde' lijkt het niet. De manier waarop de kinderen, zeker als ze groter worden, hun ouders bejegenen is, althans bij de twee oudsten, van een volwassen grofheid die strookt met hun onbekrompen alcohol- en nicotineconsumptie.

Tussen de oudste, Victor, en de buitengewoon eigenzinnige Lisa ontspint zich, als zich de geslachtsrijpheid van de laatste aandient, een intimiteit die wij met het beladen woord 'incest' zouden omschrijven. En dat is het ook, maar het eigenaardige van dit boek is dat niet de incestueuze handelingen van broer en zus het volle pond krijgen, maar wat deze (seksuele) verhouding symboliseert.

In het fijne web van gevoelens dat deze bloedverwanten bijeen houdt, is de liefde van Victor en Lisa een gecompliceerde en hartverscheurende poging zich aan iets moois en zuivers vast te houden - zeg ik maar pathetisch, een pathos dat de schrijver voortdurend bedwingt - om zich zo in de leegte staande te kunnen houden.

Wat in De eeuwige jachtvelden, tegelijkertijd uiterst nuchter en zeer poëtisch, naar de oppervlakte wordt getild en op uiterst subtiele wijze zichtbaar wordt gemaakt, is de onmacht, niet alleen van Victor en Lisa, maar ook van de andere leden van het gezin, om zich los te maken uit een verstikkend emotioneel geheel, dat niet bekrompen is - integendeel, de krachttermen, de drank en het onverwoestbare gebruik van nicotine leren wel anders -, maar huiveringwekkend bindend. Geen van de betrokkenen weet zich daaraan te onttrekken.

Er is veel geschreven over het 'paradijs van de jeugd' en hoeveel moeite het kost dat in te wisselen voor een volwassen bestaan op eigen benen, maar in dit boek tieren de 'bloemen van het kwaad' zo welig dat je moeilijk van een paradijs kunt spreken. Maar ook van een 'unhappy childhood' die een 'goldmine' voor de schrijver zou zijn, is geen sprake, want daarvoor is de liefde van Victor voor zijn zus Lisa, en de nakomende Anna - en mutatis mutandis voor zijn slecht bij elkaar passende ouders - te groot.

Contact brengt De eeuwige jachtvelden (¿ 39,90) uit in een speciale debutantenreeks, waarin ook De weg naar het Noorden van Naima El Bezaz verscheen. Dit boek is al vergeleken met de bij De Arbeiderspers uitgekomen eersteling van Hans Sahar, Hoezo bloedmooi, en dat is wel te begrijpen omdat beide auteurs een Marokkaanse achtergrond hebben. Vorige week liet ik weten Hoezo bloedmooi als literaire verrichting niet erg indrukwekkend te vinden, en datzelfde kan ik nu zeggen van De weg naar het Noorden, een wel erg verzonnen verhaaltje over een jongeman uit Marokko, die dank zij een drugshandelaar in zijn land kan ontsnappen naar de stad van zijn dromen, Parijs. Al zijn verwachtingen worden de bodem ingeslagen als hij, ten slotte aanbeland in Nederland, moet aanzien hoe een vriend van hem door een stel skinheads wordt doodgeslagen (Contact, ¿ 36,90).

Philip Markus is geen debutant. Hij publiceerde eind 1991 De weg naar Oude God, een subversief geschrift - 'Ik geloof eerlijk gezegd liever in God dan in een loonsverhoging' - waarin de auteur op originele wijze de voetbalsport in het algemeen en de verrichtingen van Ajax in het bijzonder tegen de leegte in de wereld in stelling bracht en het verbaasde dan ook niet dat dit debuut werd bekroond (met de Geertjan Lubberhuizenprijs).

Misschien daardoor geïnspireerd zette Markus vervolgens een veel ambitieuzer breiwerk op de pennen: Het verlossende woord. Van een roman in de min of meer gebruikelijke zin van het woord is geen sprake. Misschien moet je zeggen dat Markus zich in dit boek te buiten is gegaan aan een 'postmoderne' peiling van het fenomeen profetie, het woord van Harry Mulisch indachtig dat al die bijbelse, christelijke en occulte pogingen om de wereld te beheersen weliswaar onzin zijn, maar niettemin hun vaak zeer gruwelijke uitwerking niet hebben gemist. In Het verlossende woord raakt de verteller zeer geïnteresseerd in één specimen van deze geobsedeerde toekomstvoorspellers, ene Rudolf Glauer, die - zo blijkt - zijn steentje aan het nazisme (avant la lettre) heeft bijgedragen.

Het is maar een van de vele 'lijnen' in dit haast enclopedische kluwen van al of niet krankzinnige ideeën. Nu eens leest het bladzijdenlang als een vorm van knappe documentatie (alsof een goed historicus of journalist verslag doet van zijn onderzoekingen), dan weer struikel je over feiten, die zich bij een eerste (en dus oppervlakkige lezing) nauwelijks tot een samenhang laten dwingen (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 39,90).

Will Self kende ik nog niet, ondanks alle publiciteit waarop hij de laatste tijd wordt onthaald. Self dreigt een beetje een fenomeen te worden, altijd goed voor een paar opzienbarende uitspraken, en dat prikkelt de belangstelling. Bij Prometheus verscheen van hem de vertaling van My Idea of Fun. A Cautionary Tale onder de titel Dat vind ik nou leuk. Een stichtelijk verhaal (¿ 39,90).

Dit boek is zìjn antwoord op de vraag die hem (of zijn verteller, we moeten de schrijver niet met zijn personages verwarren) door een gebronsde dame op een vervelend partijtje van Londense beroemdheden wordt gesteld. Wat Self (of zijn verteller) leuk vindt, is een zwerver in de metro zijn kop afrukken om vervolgens diens bloederige torso te verkrachten.

Daar kan die dame het mee doen. Maar als je verwacht dat Self op die toon voortgaat, dan kom je bedrogen uit. Wat zich voor je ontvouwt, is een aanvankelijk tamelijk traditioneel verhaal over een jongetje dat alleen met zijn moeder opgroeit op een camping, die zij drijft bij ontstentenis van de vader, een slappe 'marketing'-figuur. Leuker wordt het als De Dikke Controleur zijn intrede doet in het leven van Ian Wharton, zoals het jongetje heet. De Dikke Controleur is een gargantueske figuur. Hij vreet, zuipt en rookt ontzaglijk, niet bepaald pedagogisch verantwoord. Allengs doet hij steeds meer aan de tovenaar Merlijn denken, zoals we die kennen uit het prachtige boek over koning Arthur van Terence H. White (The Once en Future King, in 1967 als Prisma bij Het Spectrum verschenen onder de titel Arthur, Koning voor eens en altijd).

Dat Ian Wharton van deze Fallstaff een bijzondere opvoeding krijgt, laat zich raden. Een van de meest opvallende dingen die De Dikke Controleur hem voorschrijft, is onthouding van gemeenschap met een vrouw (hij mag wèl masturberen, dat is gezond). Als Wharton op zeker moment - hij is dan al student 'marketing' en economie - op het punt staat de daad te begaan met een bevallige vrouwelijke studiegenoot, steekt De Dikke Controleur daar een stokje voor en terwijl hij zijn raket van een sigaar in tweeën breekt zegt hij dat hetzelfde met Ians penis zal gebeuren als hij op deze weg voortgaat.

Dat zijn hardhandige opvoedingsmethoden. Een en ander neemt niet weg dat Ian ten slotte toch een vrouw vindt, die hij vrijwel meteen bevrucht. Met die zwangerschap als uitgangspunt kijkt Self terug naar de jeugd van zijn alter ego en wat daarin komt bovendrijven is een met veel poeha opgesmukt verhaal - Wharton is begiftigd met een zogenoemd eidetisch, zeg maar fotografisch geheugen - over de duistere dingen die zich in Ians inborst afspelen. Geen wonder dat een psychiater hem graag als proefkonijn gebruikt.

Wharton is een beetje Jekyll en Hyde, met dien verstande dat hij in het dagelijks leven geen kip kwaad lijkt te doen - de ware boosdoener is De Dikke Controleur - en zelfs een goed betaalde baan in de marketing krijgt. Totdat aan het eind toch nog alle stoppen lijken door te slaan.

Is dit nou leuk? Ik geloof dat Self een ongebreideld vermogen tot beschrijven en typeren bezit, maar de gehele vertelling is zo grillig, grotesk en op een (Amerikaanse) manier zo 'wild' dat je op den duur niet goed meer weet waar Self nu eigenlijk heen wilde. Het is, ondanks de lenigheid van het taalgebruik, niet het soort literatuur waar ik van houd. Wat mij betreft kan het met minder vertoon, wat meer zeggingskracht niet uitsluit, zoals ik ervoer in de kleine roman van Peter Verhelst, Het spierenalfabet (Prometheus, ¿ 34,90).

Verhelst is dichter en redacteur van het tegenwoordig door De Bezige Bij in Nederland verspreide en sterk opgefriste oude katholieke tijdschrift Dietsche Warande & Belfort. In 1993 publiceerde hij de roman Vloeibaar harnas. In Het spierenalfabet vertelt hij in drie hoofdstukken (A, B en C geheten) over de liefde van een jongeman, een bibliothecaris, voor een danseres (wier haren beginnen te bloeden als ze ze knipt). Het is een zeer poëtisch, zeer rijkgeschakeerd verhaal dat even goed de door een hersenbloeding getroffen computer-gek René als de mannenverslindster Inez omvat. Maar hoe Verhelst ook uitweidt (over eten, over het lichaam), hij weet zijn verhaal in de hand te houden.

Hetzelfde kan gezegd worden van de zeer dikke roman die Jan Brokken aan zijn inmiddels tamelijk omvangrijke verzameling (reis)boeken heeft toegevoegd, De blinde passagiers, waarin een restaurateur van oude schilderijen het na het vertrek van zijn joods-Amerikaanse geliefde niet meer ziet zitten en een bootreis van Frankrijk naar Zuid-Amerika maakt.

Met 'de blinde passagiers' uit de titel begint het verhaal, twee Russisch/Poolse verstekelingen die tussen de containers het loodje dreigen te leggen. Met groot gemak en goed gedocumenteerd vertelt Brokken over de avontuurlijke reis met de Maria Reygersbergen (om dieper door te dringen in het leven van zijn restaurateur en diens moeizame verhouding tot zijn vader), al is de figuur van de 'alwetende verteller' die hij tamelijk ouderwets hanteert, zo obligaat dat ik soms het gevoel kreeg dat me maar wat op de mouw gespeld werd en de betekenis van deze roman (in de literatuur altijd een kwestie van vorm) voor mij niet geheel uit de verf kwam (Atlas, ¿ 39,90).

Er is maar één reden om me tot de genoemde titels te beperken, en dat is het eeuwige menselijk tekort, want er is weer zó ontzettend veel dat ik, zoals altijd aan het begin van het seizoen, moet volstaan met een paar dingen te noemen. Het mooie boek van Harold Brodkey, Profane vriendschap, bijvoorbeeld (Arena, ¿ 64,90). Of: Wolken, Vogels, Kikkers van Aristófanes, heel mooi vertaald door M. d'Hane-Scheltema (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 49,90). Of: Gewapende stilte van de Zuidafrikaanse Engelstalige auteur Damon Galgut, die mij met Het welluidend gekrijs van varkens zo goed de verscheurde gevoelswereld van blank èn zwart in het huidige Zuid-Afrika wist duidelijk te maken (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 27,50). Of: De dierenwinkel van Jiskefet (De Harmonie, ¿ 34,90). En uiteraard: het prachtig uitgegeven boek Peter Vos - tekenaar (Veen, ¿ 69,50).

Meer over