Prijsschieten met vragenlijsten

De sociale psychologie likt haar wonden na de malversaties van Diederik Stapel. Is het wel een echte wetenschap? 'Je kunt een middag in de kroeg zitten, wat fantaseren en de volgende dag ga je aan de slag met een vragenlijst.'

MAARTJE BAKKER

'Ik betrapte mezelf erop dat ik begon te denken: wat scoort makkelijk, hoe krijg ik veel artikelen? Je hebt niet de tijd om iets uit te pluizen. Dat zit in de hele sociale psychologie. Het voelde niet goed.'

Hij is een voormalige promovendus van Diederik Stapel, de hoogleraar die het wereldnieuws haalde omdat hij onderzoeksgegevens brutaalweg verzon. Een veelbelovende promovendus: hij publiceerde meerdere artikelen in hoog aangeschreven tijdschriften. Kon na zijn promotie moeiteloos carrière maken in de wetenschap.

Maar hij stopte ermee. Anoniem, in een café met besloten zitjes waar je ongestoord kunt praten, vertelt hij waarom. Het was niet Stapel die hem weerhield van een verdere wetenschappelijke carrière. Het was de sociale psychologie als geheel. 'Dat is lopendebandwerk. Het gaat erom heel veel feitjes te vinden en die zo snel mogelijk te publiceren. De sociale psychologie is eigenlijk geen wetenschap.'

De grootscheepse fraude van Diederik Stapel roept de vraag op of zijn vakgebied, de sociale psychologie, kwetsbaarder is voor fraude dan andere wetenschappelijke disciplines. Wat is het eigenlijk voor een wetenschap? En was de fraude het werk van een geraffineerde enkeling, of faalde de wetenschappelijke controle hier?

Een enkeling, roepen de sociaal psychologen in den lande in koor. Ze zitten er niet om te springen om hun vakgebied te bezoedelen. Liever vergelijken ze Stapel met een vliegtuig dat toevallig is neergestort. Met een multimiljonair die het gemiddelde inkomen vertekent. Of met een zwarte man die een diefstal pleegt, maar die de conclusie niet rechtvaardigt dat alle zwarte mannen dieven zijn. Een uitschieter noemen de wetenschappers zo'n enkel uitzonderlijk geval. Die gooi je als wetenschapper weg uit je dataverzameling, en je trekt geen conclusies over de psychologie als geheel.

Zwakke plekken

Een ander antwoord dat vaak terugkomt op een ronde langs sociaal psychologen, tevens veelgebruikt wapen uit het wetenschappelijk arsenaal: er is meer onderzoek nodig. Laat een integriteitscommissie maar bestuderen of er wat mis is met de psychologie of de sociale wetenschappen in hun geheel, of zelfs de hele wetenschap. Conclusies over een half jaar - wanneer de brand rondom Stapel ruimschoots is geblust.

Ook populair: er is van alles mis in de sociale psychologie, maar bij de buren is het geen haar beter. De hele wetenschap heeft zo haar zwakke plekken, met scoringsdrift als grote aanjager.

Nee, zegt die ene promovendus die de pers te woord wil staan - als een van de weinigen niet bang voor zijn carrière en voor de naam van de faam van het vakgebied, want hij is reeds afgezwaaid. 'Dit moet niet in de doofpot worden gestopt. Er moet in de psychologie meer fraude zijn. Alles draait om het aantal publicaties. Het is het enige beoordelingscriterium om uit te maken of je een goede wetenschapper bent. En in de sociale psychologie is dat zo makkelijk naar je hand te zetten.'

De sociale psychologie bestudeert hoe gedachten, gevoelens en gedrag van mensen worden beïnvloed. Het vakgebied ontstond aan het begin van de 20ste eeuw in de Verenigde Staten. Inmiddels zijn er in Nederland ongeveer 400 sociaal psychologen. Studenten komen terecht in de voorlichting, in de reclame, als coach, trainer of onderzoeker.

Sociaal psychologen doen voornamelijk onderzoek door te experimenteren. Sommige van die experimenten hebben geleid tot wereldberoemde theorieën. Dat van Milgram bijvoorbeeld, waarbij proefpersonen in opdracht van de onderzoeksleider een andere proefpersoon - eigenlijk een acteur - dodelijke elektriciteitsschokken toebracht. Hij toonde daarmee aan dat mensen sterk geneigd zijn autoriteiten te gehoorzamen.

Maar zo'n spraakmakende theorie is zeldzaam, vertelt de man die is gepromoveerd bij Diederik Stapel. 'Tegenwoordig worden er bij het experimenteren nauwelijks grote achterliggende vragen beantwoord. Veel onderzoek gaat erom kleine 'effectjes' te vinden, verbanden tussen de sociale omgeving en gedragingen, gedachten of gevoelens van mensen - maar dan op microschaal. Psychologische basistheorieën worden helemaal uitgemolken, door omstandigheden in het lab net iets te veranderen. De geest van een theorie wordt in steeds kleinere deeltjes ontleed.'

Hij noemt als voorbeeld het naamlettereffect: mensen hebben een voorkeur voor de letters van hun eigen naam. 'Dat blijkt dan ook te kloppen voor bedrijven. En voor de stad waarin je woont.' Er is ook een samenhang tussen hoe groot mensen hun handtekening schrijven en hoe zelfverzekerd ze zijn. Mensen zijn in een winkel waar Italiaanse muziek wordt gedraaid eerder geneigd Italiaanse wijn te kopen. Voor Franse muziek gaat hetzelfde op. Als het ergens naar schoonmaakmiddel ruikt, zijn mensen eerder geneigd kruimels van hun koekje op te ruimen.

'Honderden van dat soort dingen worden gedaan. Maar wat moeten we ermee? Als sociaal psycholoog schrijf je dat snel op en ga je verder met je carrière. Je kunt sociaal psycholoog zijn zonder in een bepaald onderwerp geïnteresseerd te zijn of er een autoriteit in te zijn.'

Gebrek aan theorie

Hoogleraren sociale psychologie zien dit gebrek aan theorie ook. Henk Aarts, hoogleraar sociale psychologie in Utrecht, weet dat er onderzoekers zijn die van het ene naar het andere onderwerp springen zonder hun werk aan een theorie te verbinden. 'Quick and dirty. Theorieën zijn juist belangrijk om de onderzoeksresultaten te ordenen. Anders lijkt het of je een serie losse feiten hebt gevonden.' Sommig onderzoek heeft volgens Aarts meer weg van een opiniepeiling dan van sociale psychologie. 'Als het gaat om de verschillen in politieke ideeën tussen katholieken en protestanten, bijvoorbeeld. Dat is geen sociale psychologie, maar beschrijvend onderzoek.'

Gideon Keren, nu emeritus hoogleraar, werkt in de Tilburgse onderzoeksgroep waarvan ook Diederik Stapel deel uitmaakte. 'Een zwak punt is dat we niet genoeg werken vanuit de theorie', zegt ook Keren. 'We doen experimenten, verzinnen er een verhaal bij, maar geen algemene theorie.'

Diederik Stapel is het schoolvoorbeeld van het type wetenschapper dat van het ene naar het andere onderwerp zwerft - tenminste, in zijn late jaren. Eerst maakte hij naam met de contrast-assimilatietheorie. Simpel gezegd komt die theorie erop neer dat als je aan slimheid (een abstracte omschrijving) denkt, je de persoon tegenover je intelligenter inschat en zelf ook meer Triviantvragen goed kunt beantwoorden. Denk je aan Einstein (een concreet intelligent iemand), dan denk je juist dat die ander minder intelligent is en maak je zelf bij Triviant meer fouten. Maar de laatste jaren gleed Stapel af naar de triviale feitjes. Over vleeshufters, inderdaad. Naar de weetjes - weg van de wetenschap en het weten.

Sensatiebelust onderzoek, zegt de voormalige promovendus van Stapel, dat populair is in de media. 'Je kunt een middag in de kroeg zitten, fantaseert wat over hoe mensen op elkaar zullen reageren, en de volgende dag ga je aan de slag met een vragenlijst.'

Nog zoiets: de vragenlijst. 'Dat is prijsschieten. Als je een lange vragenlijst afneemt, is de kans groot dat je iets vindt. En heb je zo'n effectje te pakken, dan doe je nog een testje, en dan schrijf je het op. Je moet wel, want je baan hangt ervan af. Ik voelde me de verkoper van mijn eigen onderzoek.'

Maar hoe zit het dan met de peer review, die gouden toets der kritiek die wetenschappers elkaar opleggen als ze publiceren in de gerenommeerde bladen? Valt alles mee, zegt de jongen die bij Stapel promoveerde. 'Ik was geen held in statistiek. Soms kwam ik er op het laatste moment achter dat mijn berekeningen niet klopten. Er kraaide geen haan naar als ik die op de valreep veranderde.

'Wilde een tijdschrift mijn artikel niet hebben, omdat ze vonden dat er meer experimenten nodig waren om een gedegen bewijs te leveren, dan ging ik gewoon naar een ander tijdschrift. Dat accepteerde mijn artikel dan wel. En als ik zelf optrad als reviewer, dan las ik snel door het stuk over statistiek heen.'

Ook op de werkvloer kijken de wetenschappers zelden mee over de schouders van hun collega's. 'Iedereen heeft zijn eigen winkeltje en bemoeit zich weinig met het onderzoek van een ander', zegt emeritus hoogleraar Keren. Pim Levelt, die de kwestie-Stapel onderzocht, kwam tot dezelfde conclusie.

Zo gebeurde het dat Stapel zijn collega's op de mouw kon spelden dat hij onderzoek deed op scholen, waarvandaan hij het ene prachtige resultaat na het andere aanvoerde. 'Het klonk plausibel', zegt zijn promovendus van destijds. 'De mensen waren daar naïever, want ze hadden nog niet zo veel vragenlijsten ingevuld als de studenten psychologie die normaal aan dit soort onderzoeken meedoen. Daarom vonden we het geloofwaardig dat Stapel succes na succes boekte.'

Meegaande ondergeschikten

Stapel omringde zich ook nog met een selectief gezelschap van meegaande ondergeschikten - wie kritisch was, werd weggebonjourd. Hij creëerde een losse sfeer, waarin alleen het resultaat - de publicatie dus - telde. De Nijmeegse hoogleraar Daniël Wigboldus wijst naar dit 'coconnetje', waarbij Stapel en zijn promovendus getweeën aan het onderzoeken sloegen. 'Op veel andere plekken in Nederland is de kans op fraude kleiner. Wij bespreken en delen het onderzoek met elkaar in labgroepen en een promovendus heeft minstens twee begeleiders.' Maar die labgroepen zijn er in Tilburg ook, en hebben niet kunnen voorkomen dat Stapel erop los fraudeerde.

Levelt beval aan dat data langer en beter werden bewaard, zodat wetenschappers elkaar beter zouden kunnen controleren. Anderen zijn daar sceptisch over - bijvoorbeeld een wetenschapper die een telefonische tirade afsteekt over 'dat arrogante baasje' van een Stapel, en die zegt dat 'geen hond' in andermans data is geïnteresseerd. Wigboldus zegt het voorzichtiger. 'Het belang dat aan het herhalen van andermans onderzoek wordt gehecht zou groter kunnen zijn.'

Sociaal psychologen weten als geen ander dat het menselijk gedrag is te verklaren uit de combinatie van persoonlijkheid en omgeving. Wigboldus zegt dat hij die vraag zichzelf dagelijks stelt. 'In hoeverre heeft de omgeving een rol gespeeld bij de fraude van Stapel, in hoeverre de persoon?'

De persoonlijkheid van Stapel maakte hem bevattelijk voor fraude: wetenschappers die met hem samenwerkten, zeggen dat hij ijdel was en gevoelig voor status. Hij deed zijn best om indruk te maken op anderen, tot op het punt dat hij bij het uitwisselen van muziek met zijn promovendus met het interessantste wilde aankomen en dat hij opschepte dat zijn vrouw meer geld verdiende dan die van een ander.

In de spiegel kijken

Maar dat betekent niet dat de omgeving, het werkveld van de sociale psychologie, kan worden uitgevlakt. 'Het goede van de affaire-Stapel is dat ze ons dwingt in de spiegel te kijken', zegt Wigboldus, die voorzitter is van de Nederlandse vereniging van sociaal psychologen.

Het prijsschieten met vragenlijsten - ja, dat komt voor, zegt Wigboldus. 'Er stond onlangs nog een artikel in Psychological Science dat ervoor waarschuwt dat wie veel meet het risico neemt een toevalstreffer te publiceren. Wetenschap blijft toch mensenwerk.

'Als de druk om te publiceren groot is en de verwachtingen van de uitkomsten van het onderzoek hooggespannen, dan ligt het gevaar van zelfbedrog op de loer. Daarom is het belangrijk om precies te beschrijven hoe je je onderzoek hebt uitgevoerd. Dan kunnen andere wetenschappers hun eigen oordeel vormen.'

Beredeneerd gedrag

En daarna, als de reviewers het werk van hun collega beoordelen? Ook daar zullen voorbeelden zijn van waar het misgaat, zegt Wigboldus. 'En wellicht te veel voorbeelden. Aan de andere kant: publiceren in een wetenschappelijk toptijdschrift is niet gemakkelijk. Er is veel concurrentie; voor sommige tijdschriften wordt meer dan 90 procent van de artikelen afgewezen. Reviewers die hun werk slecht doen, zullen op een gegeven moment niet meer voor de klus worden gevraagd. En wat is het alternatief om de wetenschappelijke waarde te beoordelen?'

Wigboldus bestrijdt dat de sociale psychologie de afgelopen tijd geen grote theorieën heeft voortgebracht. 'We weten nu bijvoorbeeld veel meer over automatisch versus beredeneerd gedrag. Dat mensen onbewust eerder geneigd zijn om kruimels op te ruimen wanneer het naar schoonmaakmiddel ruikt is een leuke bevinding. Maar hoe werkt zo'n proces waarin je onbewust wordt beïnvloed? Daarover zijn we de afgelopen jaren meer te weten gekomen.

'Of neem de sociale identiteitstheorie, die beschrijft hoe ons zelfbeeld wordt beïnvloed door de groepen waarvan we deel uitmaken. Het basisidee klinkt misschien simpel, maar in werkelijkheid is die theorie heel verfijnd. Maakt het uit hoeveel je op je groepsleden lijkt? Of de groep een meerderheid of een minderheid vormt? Of het een diverse groep is?'

De theorieën zijn er dus wel, maar het probleem is dat de maatschappij er zelden iets over hoort, denkt Wigboldus. 'Door de affaire-Stapel is me duidelijk geworden hoe weinig mensen eigenlijk weten over ons vakgebied. De kleine, leuke effectjes, die vertellen we aan het publiek. Maar het gaat om de psychologische mechanismen die deze effecten veroorzaken. We moeten onszelf niet laten verleiden alleen het korte verhaal te vertellen.'

undefined

Meer over