Priester in nood voor de Venetiaanse kust

Een pelgrim treft noodweer voor de Venetiaanse kust.

Venetië, 4 augustus 1598

Op de vierde dag van de maand augustus, een zondag, na het Heilig Sacrament des Altaars te hebben ontvangen in de kerk van Sint Marcus, ben ik vertrokken. En ik heb een schuit gehuurd, die men daar gondel noemt, waarin ik me op zee heb begeven om te varen naar het grote schip, Nanasatta genaamd, dat zeer groot was met een capaciteit van wel honderd vaten.

Dit schip was geladen om te varen naar Cyprus en Alexandrië. Toen wij nu ongeveer vier mijlen in zee waren, is er zo'n noodweer losgebroken dat we niet verder konden. De schippers zagen zich gedwongen naar de haven terug te keren. Ik was wat teleurgesteld door een zo ongelukkig begin. Toch gaf ik de moed niet verloren, maar op God betrouwend, zocht ik een groter schip dan een gondel om mij wederom op zee te begeven.

Ten leste heb ik een schip met acht riemen gevonden en na met de schipper tot overeenstemming te zijn gekomen, ben ik de zee weer opgevaren. Maar wij waren amper een mijl uit de haven of er stak een wind op die de zee zozeer in beroering bracht, dat wij in groot perikel en gevaar van verdrinking waren.

Want het ijzer van het roer brak, zodat de baren van de zee ons bijkans overwelfden en wij kregen zoveel water in het schip dat er kleine hoop was op ontkomen.

Jan van Cotwyck, priester te Utrecht, ging op bedevaart naar Jeruzalem. Ingekort fragment uit Ben Wasser: Dit is de pelgrimage van het Heilig Land en daaromtrent. Uitgeverij Verloren, 2014.

Meer over