Prentenboekenmakers zoeken nieuwe vormen - met wisselend succes

PJOTR VAN LENTEREN

Je kunt te veel prentenboeken maken. Quentin Blake (1932), vooral bekend van zijn wereldberoemde samenwerking met Roald Dahl, heeft daar last van. Blake grifte vele kleurrijke personages in de geheugens van generaties, maar deed daarnaast iets te vaak meer van hetzelfde. Een fors deel van zijn prentenboeken kwam in ons land niet eens uit en dat is prima.

Verrassend als ineens, eind vorig jaar, ruim veertig jaar na het verschijnen in Engeland, Beer bouwt een winterhuis (De Fontein, € 12,50, ****) in de Nederlandse winkels ligt.

Beer krijgt daarin na al die jaren nog steeds dieren te logeren en van een winterslaap komt het dus niet. Bette Westera vertaalt het enigszins gemene verhaal ritmisch sterk, met een mooie uitsmijter: 'Beer slaapt een gat in de lente.'

De deze maand verschenen opvolger Beer houdt een zomerpicknick (De Fontein, € 12,50, ***) steekt hier met zijn brave humor en weinig geïnspireerde tekeningen flets bij af. Kikkers verstoren de zomerpicknick met hun irritante gekwaak, maar zijn aan het einde natuurlijk toch de helden van de dag. Blijvende aandacht voor Blake is terecht, maar we hoeven echt niet meer alles uit te geven wat hij ooit gemaakt heeft.

Het is dan toch spannender om talentvolle, enkele decennia jongere illustratoren te zien zoeken naar steeds weer wat nieuws. Wat overigens niet altijd goed lukt.

Mies van Hout bijvoorbeeld, die sterk debuteerde met een warme kleurexplosie in Bang mannetje (Lemniscaat, 2005) maar meteen een beetje de weg kwijt is nu ze aan het experimenteren slaat.

In Vrolijk (Lemniscaat, € 14,95, ***) poseert een reeks vissen met wisselende emoties. Boos, bedroefd, zenuwachtig, blij, verliefd. De prenten zijn technisch sterk: het pastelkrijt op zwart papier suggereert eenzame vis in eindeloze oceaan. Maar wat moet je ermee? De verhaalloze reeks plaatjes zal, hoe oogstrelend ook, bij het slapengaan met schouderophalen worden begroet.

Spelen met de vorm van het boek kan eenvoudiger. In 2004 verscheen het alleraardigste Pomelo en zijn paardebloem van de Frans-Roemeense schrijfster Ramona Badescu en illustrator Benjamin Chaud. Het gaat over een roze olifantje zo groot als een pompelmoes.

Geheel logisch was ook het boek erg klein. Voor de opvolger Pomelo groeit (Lannoo, € 12,99, **) koos de uitgever met diezelfde komische logica dan ook voor een veel groter prentenboek. Jammer dat er een slaapverwekkend, nauwelijks te volgen, quasi-filosofisch babbelverhaaltje in staat.

Wel geslaagd is het stijluitstapje van Noëlle Smit. Haar kleurrijke, iets van Fiep Westendorp weg hebbende werk valt al een tijdje op, maar is net als haar grote voorbeeld wel erg statisch. In het grappige Hieper (Moon, € 13,95, ****) over een draakje met ADHD, laat ze die stijfheid eindelijk varen en gebruikt ze toepasselijk drukke uithalen met krijt op karton. Ook de tekst van Rian Visser mag er zijn: 'Hieper stuitert en buitelt in het rond / Telkens als hij lacht komt er een steekvlam uit zijn mond.' Moeder draak, bijna wanhopig, reist rond met een emmer water in plaats van een handtas.

Maar niemand overtreft de eenvoudige ingenieusheid van het nieuwste prentenboek van Joke van Leeuwen: Waarom lig jij in mijn bedje?

Van Leeuwen veranderde de afgelopen jaren niets of zeer weinig aan haar herkenbare penvoering. Ze zoekt de uitdaging liever in originele onderwerpen en boekvormen. Dit keer koos ze voor een leporello (een boek waarin de bladzijden gevouwen zijn als de blaasbalg van een trekharmonica) met het wonderlijke effect dat je aan het eind van het boek doorlezend vanzelf weer terugbladert naar het begin. Een troep slaapkamerknuffels zet elkaar de een na de ander uit bed, tot het allerkleinste lappenpopje heel zielig op zoek moet naar een plaats om te slapen.

Joke van Leeuwen: Waarom lig jij in mijn bedje?

Querido, 2 pagina's, € 12,95

ISBN 9789045112305

Vanaf 3 jaar

undefined

Meer over