Praten over scheppen

Voor 'Verf' sprak criticus Hans den Hartog Jager met schilders over hun ambacht om de merites van de schilderkunst te benadrukken....

Door Anne van Driel

Marlene Dumas verwoordt het het mooist.

Gevraagd naar het hoe en waarom van een goed schilderij, antwoordt Nederlands internationaal meest succesvolle schilderes: 'Dat is toch een onmogelijke vraag!' Om te vervolgen: 'Als schilder wil je iets maken wat je zelf nog nooit gezien hebt, en dat kun je dus nooit volledig sturen.' Bij een geslaagd doek, stelt Dumas, is het altijd een beetje alsof Gods grace heeft toegeslagen.

Wat er exact gebeurt, vanaf de eerste streek die een schilder op het witte doek zet tot dat magische moment dat hij besluit dat het werk 'af' is kunstenaars kunnen of willen er lang niet altijd zo helder over praten. 'Dat is vanzelf gegroeid. Ik besluit nooit wat', verkondigt Armando. Co Westerik: 'Als ik het wel zou kunnen benoemen, zou ik als schilder tekortschieten.' En Reinier Lucassen: 'Het is niet altijd terug te brengen tot taal.'

Toch is dat precies waartoe criticus Hans den Hartog Jager kunstenaars probeert te verleiden in Verf. Hedendaagse Nederlandse schilders over hun werk. Voor zijn boek ging hij bij veertien vooraanstaande Nederlandse schilders van vier generaties op atelierbezoek en vroeg hen naar de praktische aspecten van hun vak.

Uit nieuwsgierigheid uit overtuiging. De schilderkunst moet zich beter wapenen, met name tegen de fotografie, meent Den Hartog Jager, die eerder in NRC Handelsblad al hamerde op een strikte scheiding tussen de disciplines. De schilderkunst moet haar merites meer benadrukken de techniek, het materiaal, de uitvoering anders maakt ze zich 'kwetsbaar'.

Over die aspecten lees je maar zelden, constateert Den Hartog Jager in Verf. Teksten over schilderkunst gaan vrijwel altijd over de idee achter een werk, zelden wordt gerept over de manier waarop het doek totstandkomt. Hoewel schilderkunst volgens hem weer volop meetelt in het kunstdiscours (nadat zij in de jaren zestig door het conceptualisme als achterhaald aan de kant was gezet, en twintig jaar later wederom werd dood verklaard), regeert nog altijd het conceptuele gedachtegoed, stelt hij vast.

De teksten in Verf schreef hij daarom als vraag-antwoord interviews 'zodat er niet wordt getheoretiseerd over de hoofden van de schilders heen, maar ze zoveel mogelijk zelf aan het woord komen.' Over welke verf ze gebruiken, over hoe elke streek de ander uitlokt. Want, stelt Den Hartog Jager: 'Ik ben ervan overtuigd dat de praktische beslissingen van een schilder meer over zijn ideeereld zeggen dan wordt verondersteld'.

Hoewel er wel wat valt af te dingen op Den Hartog Jagers observatie dat het conceptualisme nog steeds heer en meester is in teksten over schilderkunst, is dat laatste absoluut een prikkelende gedachte: zorgt het aanboren van een andere bron voor een nieuw inzicht in het werk en de betekenis van schilders? Levert het stellen van andere vragen andere informatie op?

In Verf blijkt dat ten dele waar. Met name de interviews met de schilders uit het 'pre-conceptuele' tijdperk (Constant, Westerik, Armando) kennen nauwelijks verrassingen. De kunstenaars draaien hun bekende riedel af. Van Den Hartog Jager zou je op die momenten iets minder ontzag wensen.

Naarmate Verf vordert, neemt het leesplezier echter toe. Niet helemaal toevallig zijn het de generaties die tegen de stroom in zijn gaan schilderen (tijdens het conceptualisme, de doodverklaring van de schilderkunst of opgegroeid in een mediatijdperk) die hun keuzes het beste verwoorden. Nuchter. Openhartig. En (anders dan Den Hartog Jager): in het geheel niet defensief.

De aardse Den Hartog Jager-ondervraagmethode werpt bij hen zijn vruchten af. En leidt tot paar mooie interviews. Zoals met Marlene Dumas, die glashelder haar strijd met het doek analyseert. Of met Michael Raedecker, die vertelt hoe een dik geborduurde champignon eenzelfde effect sorteert als 17de-eeuwse stillevens.

Dat verdiept en verbreedt het inzicht in hun individuele werk. Toch is dat niet de grootste verdienste van Verf. Die schuilt in wat er tussen de interviews gebeurt. In de fictieve discussies die daar plaatsvinden (zoals tussen Armando en Lucassen over het materi aspect van verf). In de mythes die worden ontkracht (Schilderen bij daglicht? Doet niemand meer). In de verwantschappen die ontstaan tussen uiteenlopende schilders (als Dumas en Robert Zandvliet, die beiden hun 'draai' vonden toen ze zich beperkten tot motief tegen een lege achtergrond).

Op die momenten bereikt Verf het beste wat je met een boek over schilderkunst kunt bereiken: dat je het af en toe weg wilt leggen. Om de schilderijen te gaan zien.

Meer over