Potverteren van gas is onverantwoord

Wanneer het aardgas in 2025 op is, kan Nederland wel gas gaan importeren uit andere landen of energie uit een andere bron halen, denkt de regering....

Kirsten Kuipers en Jeroom Remmers en Teusjan Vlot

DE NEDERLANDSE staat zit vandaag in het beklaagdenbankje van de Haagse rechtbank wegens haar aardgasbeleid. Acht politieke jongerenorganisaties - alleen de JOVD is niet van de partij - en de Nationale Jongerenraad voor Milieu en Ontwikkeling (NJMO) zijn samen met Greenpeace eisende partij in een bodemprocedure waarin beide partijen vandaag mondeling hun standpunt toelichten.

De aanklacht van de jongeren luidt: Nederland is bezig met potverteren door het aardgas in hoog tempo uit de grond te halen en te verkopen. Dat beleid is in strijd met het duurzaamheidsbeginsel dat om een verantwoord beheer van eindige fossiele grondstoffen vraagt.

Nederland wint jaarlijks tachtig miljard kubieke meter aardgas, waarvan de helft voor export is bestemd. Het gas levert de staat ieder jaar zeven miljard gulden op, maar deze geldbron dreigt rond 2025 op te drogen. Al in 1996 sprak het Centraal Planbureau in dit verband van 'potverteren'. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid sprak zich uit voor een 'conserveringsbeleid boven het huidige, op exploitatie gerichte beleid'. De politiek versterkte daarentegen juist de exploitatiedrift door in te stemmen met een vergaande liberalisering van de gasmarkt.

Eind jaren tachtig omarmde de Nederlandse overheid het duurzaamheidsbeginsel zoals opgesteld door de VN-commissie Brundtland: 'Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van huidige generaties zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.' Daarbij werd gesteld dat beleid alleen duurzaam is als het sociale, economische en ecologische belangen gelijkwaardig behartigt. De Nederlandse overheid nam het duurzaamheidsbeginsel over als uitgangspunt voor eigen beleidsdocumenten. Tot nu toe blijkt duurzaamheid echter vooral een intentie op papier.

Een duurzaam energiebeleid zorgt voor een verantwoord beheer van eindige fossiele bronnen. Ook toekomstige generaties hebben recht op een betrouwbare energievoorziening. Als een energiebron opraakt, moeten er tijdig voldoende alternatieven worden ontwikkeld. In wetenschappelijke kring wordt algemeen aanvaard dat minimaal vijftig jaar nodig is om voldoende alternatieve energiebronnen te ontwikkelen. Als de Nederlandse gasvoorraad al rond 2025 is uitgeput kunnen we dus problemen verwachten. De Nederlandse overheid vertrouwt er echter op tegen die tijd gas te kunnen importeren uit andere werelddelen. Bovendien verwacht ze succes in energiebesparing en de ontwikkeling van duurzame bronnen.

Jongerenorganisaties noemen dit optimisme ongefundeerd. Zij willen dat de Nederlandse overheid hogere doelen stelt en kijkt naar de lange termijn.

Ten eerste moet Nederland zorgen voor een duurzaam beheer van bodemschatten binnen het eigen grondgebied, omdat zij juist daar zeggenschap over heeft. Potverteren en rekenen op voorraden van andere landen is het afschuiven van verantwoordelijkheid. In een andere sector als de visserij zou een dergelijke redenering onacceptabel zijn. We laten de Noordzee ook niet leegvissen met als argument dat in een andere zee nog genoeg vis rondzwemt.

Ten tweede moet Nederland zich bezinnen op haar economische toekomst. De overheid neemt onverantwoorde risico's door zonder meer te rekenen op importmogelijkheden voor aardgas na 2025. Het is volstrekt onzeker hoe de wereldenergiemarkt zich de komende decennia zal ontwikkelen. Verschillende economisch achtergebleven regio's in de wereld (zoals China) maken een inhaalslag die gepaard gaat met een grote groei van het grondstoffen- en energiegebruik; andere regio's (Rusland, Afrika) hopen te volgen.

Daarbij komt het feit dat de grootste aardgasreserves in politiek instabiele regio's liggen, namelijk Rusland en het Midden-Oosten. Deze omstandigheid verkleint de kans op ongestoorde gasimporten na 2025 aanzienlijk.

Vanuit het perspectief van duurzame ontwikkeling is het bovendien de vraag of westerse landen, zoals Nederland, recht hebben op een voortdurend verbruik van fossiele brandstoffen. De rijkste 20 procent van de wereldbevolking verbruikt nu immers al decennialang bijna 80 procent van de grondstoffen in de wereld.

Conclusie moet zijn dat Nederland niet alleen een belangrijke inkomstenbron verliest bij het opraken van de eigen gasvoorraden. Ook moeten we rekenen op fors hogere kosten voor fossiele en andere grondstoffen als onze economie straks onvoldoende is voorbereid op verschuivingen in de economische wereldorde en op ecologische beperkingen. Nederland is beter af als we onze economie minder afhankelijk maken van de import van grondstoffen uit de rest van de wereld. Stap één richting een duurzame economische toekomst is een ondubbelzinnige keuze voor duurzame energiebronnen.

De Nederlandse overheid pretendeert prima op schema te lopen als het gaat om de ontwikkeling van schone energiebronnen. In de praktijk gaat de ontwikkeling, en met name de toepassing ervan, zeer traag. Het ambitieniveau ligt op 10 procent duurzame energie in 2020 en dat levert onvoldoende substitutiemogelijkheden op als het gas op is. Nu draagt aardgas voor bijna 60 procent bij aan de energievoorziening.

Ook energiebesparing blijft steken. De relatieve winst die wordt geboekt door efficiëntieverbeteringen is volstrekt onvoldoende, want met de economische groei stijgt ons absolute energieverbruik nog steeds. De overheid laat toekomstige generaties in de kou staan door in haar economisch beleid onvoldoende rekening te houden met ecologische grenzen en duurzaamheid. Het aardgasbeleid is een duidelijk voorbeeld van het onacceptabele 'wie dan leeft, die dan zorgt'. Hopelijk vormt de rechtszaak over het aardgas aanleiding tot een ernstige bezinning op de vraag wat werkelijk duurzaam is.

Meer over