Potter blaast de kostschool op

Met haar Harry Potter-serie, waarvan dit weekeinde het zesde deel verschijnt, sluit J.K. Rowling aan bij een oeroude traditie: die van de Engelse kostschoolroman....

‘Pitty? Gut ja, ik heb ze allemaal gelezen’, zegt de boekverkoopster – ze zal zo halverwege de dertig zijn – enthousiast. Hartstikke leuk waren die boekjes. Ze heeft ze allemaal bewaard. Maar nee, die van haar zijn niet te koop.

Ook de bibliothecaresse raakt opgetogen bij de herinnering aan de kostschoolboeken van Enid Blyton en anderen. Tuurlijk heeft ze ze gelezen. Ze kan het niet uitstaan dat ze niets kan vinden over die andere – hoe heette ze ook alweer? – Billie Bradley. Ze tikt de trefwoorden in de computer. Meisjesboeken. Kostscholen. Engels. Series. En daar komt ze inderdaad: Billie Bradley op kostschool, van Janet D. Wheeler.

Het kinderboekenantiquariaat in Amsterdam heeft ze gewoon in de kast; vergeelde pockets van de Valkenserie met opkrullende kaften, stukgelezen ruggen en de geur van zolders en oud papier. ‘Ja, ik vond ze reuze romantisch’, zegt de antiquariaathoudster. ‘Zo’n school, met al die meisjes en al die avonturen.’

Ze waren onze eigen Harry Potter c.s.: Pitty Rivers en haar vriendinnen op Malory Towers, de tweeling Ann en Pat O’Sullivan op Clarence House, Billie Bradley van Three Towers Hall. Waar je ook vraagt, boekenliefhebsters weten meteen over wie je hebt. Niet alleen de véél oudere lezeressen, maar ook dertigers en veertigers kunnen vol nostalgie meepraten over Potje en de Neus, de streken van Alice en de warhoofdige artistieke meisjes Irene en Linda.

Terwijl onze progressieve jarenzeventigouders ze burgerlijk, conservatief, rolbevestigend, stereotiep enzovoort vonden (en natuurlijk erbarmelijk slecht geschreven), vraten wij de verhalen op en droomden we van een verrukkelijk bestaan op een prachtige school aan zee, met zwembad, paarden, tennisbanen, toneelstukken, vriendinnen, nachtfeesten, slaapzalen, matrones en mam’zelles. Er zou natuurlijk wel wat schoolwerk gemaakt moeten worden, en de juffrouwen konden best streng zijn, maar alles was er vast véél spannender en opwindender dan onze dagelijkse schoolroutine en de verplichtingen waarmee we thuis werden opgezadeld.

Uiteraard verschenen in die tijd ook moderne kinderboeken, zoals Thea Beckmanns Kruistocht in spijkerbroek, Koning van Katoren van Jan Terlouw en Meester van de zwarte molen van Otfried Preussler. Maar toch hadden die kostschoolboeken uit de jaren veertig (de Billie Bradley-reeks dateert zelfs uit de jaren twintig) een charme die ook hartgrondig anti-autoritair opgevoede meisjes stiekem aansprak.

Geen wonder dus dat diezelfde elementen deel uitmaken van de allesoverstijgende populariteit van de Harry Potter-boeken. Het is zelfs verbluffend hoe sterk de parallellen zijn tussen Blytons creaties en die van J. K. Rowling. Potters wereld is voor de kostschoolliefhebbers dierbaar vertrouwd. Zo blijkt (de herinnering was wat verbleekt omdat Pitty in haar latere jaren altijd met de auto naar school wordt gebracht en gehaald) er net als de Zweinstein Expres in Harry Potter een speciale trein te zijn voor Malory Towers die vanaf een vast perron op een Londens station vertrekt.

De direct in het oog springende overeenkomst is de ijzeren structuur van het schooljaar: in elke aflevering van de reeks hebben de hoofdpersonen net vakantie gehad, het nieuwe trimester begint. Ze zijn weer een jaar ouder en dus een klas verder, want ze gaan altijd over. Een titel als Pitty blijft zitten is onbestaanbaar.

En er zijn altijd een paar klassieke momenten, zoals de eerste aanblik van de school: ‘De heuvel was een echte klif, die steil naar zee afliep. Aan iedere kant van het stijlvol gebouw rezen vierkante torens omhoog, waarachter Pitty nog net even twee andere torens zag, totaal dus vier: De Noorder-, Zuider-, Ooster- en Wester Toren’, schrijft Blyton over Malory Towers. Ook de eerstejaars bij Rowling zijn heftig onder de indruk van hun school, hoog op een berg aan de rand van een inktzwart meer dat ze per boot oversteken. ‘De kinderen staarden zwijgend naar het reusachtige kasteel dat boven hen uittorende en groter en groter werd naarmate ze de voet van de klif naderden.’

Een uitbundig aankomstsouper en de beschrijving van de haarkleur van het schoolhoofd zijn eveneens vaste prik. Juffrouw Walters, de directrice van Billie’s school Three Towers Hall, ‘was pas vijfendertig jaar, maar haar haren waren sneeuwwit en omlijsten [sic] haar gelaat met brede golven.’ Juffrouw Grayling van Malory Towers, een grijze dame met een ‘rustig gezicht zonder rimpels, verrassend blauwe ogen en een zeer vastberaden mond’, laat de nieuwe meisjes aan het begin van het schooljaar altijd bij zich komen voor een plechtige speech: ‘Ik beschouw als onze suksessen diegenen, die leren goedhartig en vriendelijk te zijn, praktisch en betrouwbaar, goede, degelijk vrouwen, waarop de wereld kan steunen.’ Albus Perkamentus – lang zilvergrijs haar, een halfrond brilletje en een grote kromme neus – spreekt aan het begin van het jaar al zijn toverleerlingen toe: ‘Domkop! Blubber! Kleinood! Kriel! Dank u.’

Engelse kostschoolboeken (public school series) vormen een autonoom genre. Sinds het verschijnen van The Governess: or Little Female Academy van Sarah Fielding, halverwege de 18de eeuw, heeft dat genre enkele duizenden titels opgeleverd, die alle een min of meer vast stramien volgen. In de essaybundel The Ivory Tower and Harry Potter (2003), een van vele studies die aan de magische wereld van Rowling zijn gewijd, vergelijkt David Steege, een specialist in Britse kinder-fantasy, Harry Potter met een klassieker uit 1857, Tom Brown’s School Days van Thomas Hughes.

In grote lijnen, observeert Steege, is het eerste Harry Potterboek gelijk aan dat van Tom Brown: de hoofdpersoon gaat voor het eerst naar school, is opgewonden en vol verwachting. Hij maakt vrienden en vijanden, overtreedt een paar regels (uit onmacht of voor een betere zaak), dreigt bijna van school te worden gestuurd en uiteindelijk komt alles goed. Jongens- of meisjesscholen, dan wel gemengd – het format is hetzelfde.

Het is, met alle kleinere en grotere tegenslagen, pleziertjes en ruzies, een prettig en overzichtelijk gestructureerd leven op de Engelse kostscholen, veilig afgesloten van de boze buitenwereld. De meisjes van Blyton wonen in hun eigen toren of afdeling met hun eigen klasseoudste, afdelingshoofd en matrone, slaapzaal, studeer- en huiskamer; ze hebben met zichzelf, elkaar en hun juffen te maken, en alleen aan het begin, eind en één weekeinde halverwege het trimester doen de ouders even mee.

Dit zogeheten huizensysteem met gescheiden afdelingen, de afgesloten wereld en de concentratie op de onderlinge relaties (met stereotiepe karakters) vormt het hart van het kostschoolgenre.

Het zijn ook precies die elementen die Rowling zo grondig transformeert dat ze de traditionele kostschoolroman vanuit de kern openbreekt. Aanvankelijk lijken school- en buitenwereld zelfs nog grondiger gescheiden dan in de modelromans, omdat de grens tussen de magische en de niet-magische wereld streng wordt bewaakt. Harry’s schoolwereld bestaat letterlijk in een andere werkelijkheid, waar niet-magiërs (dreuzels) geen toegang hebben. De tovenaars leven weliswaar ook in de gewone werkelijkheid, maar misbruik van magie is op straffe van excommunicatie verboden.

Naarmate de serie vordert en Harry’s aartsvijand Voldemort sterker wordt, wordt de scheidslijn tussen de werelden dunner, tot in deel vijf – Harry Potter en de orde van de feniks – nog voor het schooljaar is begonnen de gruwelijke Dementors van gene zijde de slaperige buitenwijk (Klein Zanikem) van Harry’s oom en tante binnendringen. Harry moet zijn toverstaf wel gebruiken om zijn neef-tegen-wil-en-dank te redden.

Niemand is meer wie hij lijkt. Het suffe poezenvrouwtje blijkt een Snul (iemand met tovenaarsouders die zelf niet kan toveren), die echt niet alleen oplet of Harry geen kattenkwaad uithaalt. Zelfs de vreselijke tante Petunia weet meer van magiërs dan ze altijd heeft voorgewend. ‘De komst van de Dementors scheen een bres te hebben geslagen in de dikke, onzichtbare muur die de meedogenloos niet-magische wereld van de Ligusterlaan scheidde van die andere wereld. Harry’s twee levens waren op de een of andere manier met elkaar vermengd geraakt en alles stond nu op zijn kop (. . .).’

Het protectoraat van het huizensysteem is bij Rowling een bron van dodelijke vijandschap. Pitty Rivers is simpelweg in de Noorder Toren ingedeeld, waar ze de rest van haar schoolcarrière blijft, en over de andere drie torens wordt amper geschreven. Indeling in een van de vier huizen van Zweinstein is een kwestie van identiteit en vindt plaats via het ritueel met de Sorteerhoed die het karakter van de tovenaar in spe onderzoekt.

‘Die indelingsceremonie is belangrijk’, vertelt professor Anderling, ‘want tijdens je verblijf hier fungeert je afdeling min of meer als je familie. Jullie volgen lessen met de rest van de afdeling, slapen op de afdelingsslaapzaal en brengen je vrije tijd door in jullie eigen leerlingenkamer. De vier afdelingen zijn Griffoendor, Huffelpuf, Ravenklauw en Zwadderich. Elke afdeling heeft zijn eigen, nobele geschiedenis en heeft opmerkelijke heksen en tovenaars voortgebracht.’

De woorden van professor Anderling zijn onheilspellend voorspellend. Net als in de Blyton-boekjes hebben ouders, tantes, ooms, broers en zussen op dezelfde school gezeten. Harry’s ouders leerden elkaar op Griffoendor kennen. Familieleden komen niet toevallig bij elkaar in hetzelfde huis terecht. Loyaliteit aan het huis is een erezaak en zowel vriend- als vijandschappen worden van generatie op generatie doorgegeven. De Zwadderaars zijn sluw en ambitieus; dit was het huis van Voldemort. De Huffelpufs zijn trouw en hardwerkend, de Griffoendors zijn slim en dapper. Niet voor niets was Harry’s vader een Griffoendor en zitten Harry en zijn vrienden Ron en Hermelien in datzelfde huis.

Maar leren Pitty en haar vriendinnen via hun familie de school kennen, bij Harry is het andersom. Hij is als wees opgegroeid en weet niets van zijn achtergrond en zijn ouders. Pas door en op school hoort hij wie zijn ouders waren, welk offer ze voor hem hebben gebracht, hoe goed ze waren en welke eigenschappen ze hadden.

Griffoendor ís Harry’s familie. In de Spiegel van Neregeb (de Spiegel van Begeren) ziet hij zijn ouders voor het eerst, in de confrontatie met de Dementors hoort hij zijn moeders stem vlak voor ze sterft. En in de beschermingsspreuk tegen de Dementors (de ‘patronusbezwering’) leert hij via zijn vader eindelijk iets van zijn eigen krachten en eigen identiteit als tovenaar kennen.

Rowlings plots – het is bekend – gaan verder dan gebruikelijk in de kostschoolliteratuur. Er vallen doden. De verhaallijnen breiden zich uit tot complexe kluwens. Harry en zijn klasgenoten zijn af en toe nukkige pubers bij wie de hormonen door het lijf gieren. Er vliegen, sluipen, kruipen en galopperen wezens rond die in de normale schoolwereld niet bestaan.

Maar de karakters die Rowling beschrijft, hebben meer vlees en bloed dan de bewoners van Malory Towers en Clarence House bij elkaar. Harry, Ron en Hermelien groeien op in een grotemensenwereld die ondanks alle fabeldieren en hocuspocus echt pijn doet. Hun belevenissen grijpen je heviger bij de keel dan je in een kostschoolroman voor mogelijk zou houden.

J.K. Rowling: Harry Potter and the Half-Blood Prince (Bloomsbury, import Van Ditmar; euro 19,95) is 16 juli vanaf 01.00 uur (vrijdagnacht) Nederlandse tijd verkrijgbaar. De Nederlandse vertaling verschijnt in november bij uitgeverij De Harmonie.

Meer over