Populisme uit overtuiging

Tentoonstellingen over Jan des Bouvrie, Star Trek, Picasso of Feyenoord - het was de Kunsthal om het even. Sinds de oprichting schopt de Rotterdamse 'tentoonstellingsmachine' tegen de gevestigde kunstwereld aan....

Door Anne van Driel

Het kan hem nog steeds met sardonisch genoegen vervullen: een subsidie aanvragen terwijl hij vrijwel zeker weet dat die hem niet zal worden toegekend. Neem die tentoonstelling met ondergoed bijvoorbeeld. Natúúrlijk schreef hij daarvoor een brief naar de officiële instanties. En natuurlijk wezen de subsidiegevers die exposities als 'te weinig vernieuwend, te weinig kunstzinnig' van de hand.

Des te groter de schik bij Wim Pijbes.

Want die tentoonstelling (van lingerieontwerpster Marlies Dekkers) kwám er toch wel. Dankzij een sponsor. En in weerwil van de Dames en Heren Kunstkenners - het publiek kwam ook. Massaal.

Wim Pijbes grinnikt. Typisch Kunsthalhumor. Al sinds de oprichting schopt de Rotterdamse 'tentoonstellingsmachine' tegen de gevestigde kunstwereld aan. Pijbes' voorganger, de roemruchte Wim van Krimpen, deed het - noodgedwongen, maar met liefde. En Pijbes, sinds twee jaar directeur doet het hem na.

For old times sake. Want het populistische buitenbeentje is er helemaal bij gaan horen. Vrijdag, wanneer de Kunsthal zijn tienjarig bestaan viert, kan Pijbes tevreden vaststellen: de Kunsthal is 'geaccepteerd, misschien zelfs geréspecteerd'. De kritiek is verstomd, voormalige tegenstanders zwaaien het instituut lof toe.

'Sterker', constateert Van Krimpen: 'héél Nederland is veranderd in een Kunsthal.' En inderdaad moet Hugo Bongers, zakelijk directeur van Boijmans Van Beuningen, het museum met de felste kritiek op de Kunsthal, erkennen: 'We groeien naar elkaar toe. Wat de Kunsthal doet, kan veelal ook in Boijmans. En omgekeerd.'

Zo'n opmerking was volstrekt ondenkbaar, toen de Kunsthal op 1 november 1992 zijn deuren opende voor het publiek. Hoon viel het instituut ten deel. Vanwege de Spartaanse kubus die architect Rem Koolhaas aan het Rotterdamse Museumplein had neergepoot - 'een gebouw met de allure van een sporthal' (Henk Spaan). Vanwege het zielloze concept van een museum zonder collectie, een 'overslagbedrijf' waar de ingehuurde exposities elkaar in rap tempo opvolgden.

Maar vooral het ronkende beleid van Van Krimpen, voorheen galerist en directeur van de KunstRai, was de museumwereld een doorn in het oog. Als een 'schaamteloze standwerker' bracht hij in de Kunsthal waar de massa om vroeg. Tentoonstellingen over Jan des Bouvrie, Star Trek en Feyenoord. Maar ook publieksklappers als De Haagse School, Picasso - het was om het even.

De idee achter de Kunsthal, schrijft journalist Ron Kaal in Respectabel populisme, het jubileumboek dat ter gelegenheid van de tienjarige verjaardag verschijnt, werd geboren uit een misverstand. In de jaren tachtig werd Nederland overspoeld door blockbusters als Monet in Holland en Het Goud der Traciërs, waar het publiek voor in de rij stond. Musea waren echter fysiek noch logistiek op die tien-tot honderdduizenden bezoekers ingesteld. En dus, dacht Rotterdam, kon een kunsthal soelaas bieden.

'Dat idee was alweer achterhaald toen de eerste paal van de Kunsthal de grond inging', stelt Van Krimpen. 'De overheidssteun nam onder minister Brinkman af, musea moesten hun eigen broek op gaan houden. Dus áls zij een publiekstrekker hadden, dan hielden ze die voor zichzelf.'

Het was de eerste jaren 'een kwestie van overleven'. Kleine staf, weinig geld, ternauwernood voldoende bezoekers om het uit te kunnen zingen. Het beleid? Dat volgde de 'grillige lijn van improvisatie'. Als Van Krimpen gratis een expositie met BMW's kon krijgen, nou dan nam hij die toch zeker?

Maar populisme 'uit noodzaak' werd allengs populisme uit overtuiging. De Kunsthal, schrijft Ron Kaal, verwierf succes met 'het beproefde Van der Valk-recept: geef het publiek meer dan het aankan'. Mega-tentoonstellingen werden met een op volle toeren draaiende pr-machine - ongekend voor Nederland - aan de man gebracht. Dat de expositie over Leonardo da Vinci uit 'louter replica's' bestond (Pijbes) of dat op de 'stamppottentoonstelling' Picasso met een dia van de Guernica moest doen ('wél op ware grootte') deed er minder toe. Van Krimpen: 'Als je het maar eerlijk vertelt, maakt het het publiek niets uit.'

Daarmee streek de Kunsthal de musea - hoeders immers van uniciteit en kwaliteit - flink tegen de haren in. Maar pijnlijker was dat de Kunsthal grote successen boekte, waar de musea gaten lieten vallen. 'Fotografie en design', zegt Hugo Bongers van het Boijmans. 'Dat moet je ze nageven. Daar zijn ze absoluut heel vroeg meegeweest.'

En de negentiende-eeuwse Hollandse meesters, vult Pijbes aan. 'Die lagen in de meeste museumdepots te verstoffen. Iemand als Breitner - dat ís natuurlijk ook een niks-aan de-hand-kunstenaar waarvan er in de negentiende eeuw wel meer van rondliepen. Maar door naar de resultaten op veilingen te kijken, wisten we: het valt wel in de smaak bij het publiek.'

De 'grote momenten' in de kunstgeschiedenis - zoals het grote overzicht van het impressionisme dat volgend jaar in samenwerking met het Wallraf Richartz Museum wordt georganiseerd. En familietentoonstellingen in de trant van Escher, waar je dingen kunt beleven en overal aan mag zitten. Die twee zullen de core business van de Kunsthal gaan vormen. Naast de kleinere exposities waarin de grenzen tussen high en low art worden geslecht. Pijbes: 'Ons beleid is langzaamaan uitgekristalliseerd.'

En dat begint ook in museale kringen vruchten af te werpen. 'De exposities worden beschouwelijker, coherenter', zegt Sjarel Ex, directeur van Centraal Museum Utrecht en 'altijd al fan' van de Kunsthal. 'Degelijker', stelt Hugo Bongers. 'Er valt nauwelijks nog kritiek op te leveren, zelfs niet wetenschappelijk.'

De Kunsthal verdient respect. Want de Kunsthal is een beetje meer op een museum gaan lijken. Of is het andersom? Hebben de musea hun les van de Kunsthal geleerd? Als je naar de laatste publiektrekkers kijkt - Harry Potter in het Kröller Müller Museum - zou je het bijna gaan geloven.

Wim Pijbes vraagt het zich in elk geval wel eens af. 'Toen Boijmans die grote overzichtentoonstelling over Keith Haring had, kregen wij in de Kunsthal dagelijks telefoontjes met de vraag tot hoe laat de expositie was geopend.' En niet zo vreemd, vindt Pijbes. 'Want wat heeft Haring in vredesnaam met de collectie en traditie van Boijmans van doen?'

Het is precies de reden, zegt Rudi Fuchs van het Stedelijk Museum in Amsterdam, waarom hij nog steeds huiverig tegenover de Kunsthal staat. 'Mijn angst was en is dat de politiek het publieke succes van de Kunsthal als maatstaf zal gebruiken voor musea. Want dat gebeurt. Voormalig staatssecretaris Van der Ploeg kwam eens bij me langs toen hij net naar De Escher Experience in de Kunsthal was geweest. Vond ie geweldig - al die computers, die driedimensionale beleving van Eschers etsen. Zó moest een museum zijn, vond hij. Zo moet je mensen benaderen. Maar wat Van der Ploeg over het hoofd zag, was dat een museum een andere verantwoordelijkheid heeft. Die draagt de zorg voor een zorgvuldige omgang met de collectie.'

Als een 'modieus verschijnsel' deed Fuchs de Kunsthal in 1995 af. Maar die wens wordt door de realiteit ingehaald, voorspelt Sjarel Ex. In Utrecht zijn al plannen voor een kunsthal, nabij het stationsgebied, waarin de directeur van het Centraal Museum 'zeker' zal participeren. En er zullen meer in Nederland verrijzen, denkt Ex.

Beducht voor concurrentie? Ach nee, zegt Pijbes: 'De Kunsthal is creatief genoeg om altijd weer niches in de markt te vinden.' Al heeft hij wel zo zijn voorbereidingen getroffen. De naam Kunsthal is inmiddels als merknaam gedeponeerd. 'Daar blijft iedereen van af.'

Meer over