Politieman

'De politieman moet tussen je oren zitten', zei Jan Peter Balkenende afgelopen woensdag in de Tweede Kamer. Hij voegde er niet aan toe dat het dan weer helemaal goedkomt met het afgezakte Nederland, maar dat bedoelde hij natuurlijk wel....

Vind ik wel.

Ik hap al een paar dagen naar lucht. Vroeger was het 'die pet past ons allemaal', nu is de pet wegbezuinigd en heb je alleen nog maar oren nodig om je politieman te kunnen voelen. Bij oren denk ik altijd aan postbode Siemen van Plien en Bianca en Pieter van Vollenhove, al dan niet gepersifleerd door Wim de Bie, maar dat terzijde.

Je kunt ook aan schaatsers denken, aan wielrenners of voetballers, aan Jack van Gelder en Henk Gemser – dat zijn mannen die de uitdrukking 'tussen de oren' volkomen vanzelfsprekend in de mond nemen, ja, op de kaart hebben gezet. 'Het zit bij hem even niet goed tussen de oren.' Je ziet niets voor je, maar toch snap je het – dat is de taal van de sport.

Dan mijn eigen oren.

Er groeit haar in en dat bevalt me niet. Ze zijn vrij klein, maar ik kan er redelijk mee horen. Het wordt wel wat minder, merk ik soms, maar ach, zoveel interessants is er nou ook weer niet om naar te luisteren. Maar tussen de oren zit het goed, ik hoor tenminste geen klachten. Ik ben wel benieuwd hoe het de komende tijd zal gaan, nu er een politieman tussen zit.

Behalve de pet die ons allemaal past, heeft de politie in de loop der jaren nog een slogan in omloop gebracht die niet meer is weg te branden: 'de politie is je beste vriend'. Als overtuigd automobilist weet ik dat het niet waar is, maar ik begrijp wat ze bedoelen en ik zie ook heus wel eens een agent een oude dame het zebrapad over helpen. Maar te moeten denken dat mijn beste vriend tussen mijn oren zit, het gaat ver, heel ver. En nu ik het er toch over heb; wie is eigenlijk mijn beste vriend?

De hond.

Daar ga je, Jan Peter.

Gisteren fietste ik door de binnenstad van Amsterdam, het was vroeg in de avond, en koud. In de Kerkstraat zag ik een jongen tegen een huis pissen, de damp sloeg er vanaf. Ik dacht eerst aan de paarden van de Amsterdamse politie, die lijden aan een vreselijke ziekte momenteel, en toen aan de agent tussen mijn oren. Ook dacht ik even aan mijn hond die de neiging heeft te blaffen naar alles wat een donkere huidskleur heeft, tamelijk beschamend.

Toen stopte ik.

De waterende jongeling was klaar en ritste tevreden zijn broek dicht, jammer dat hij geen gulp met knopen had. Daarna keek hij mij vorsend aan. De politieman tussen zijn oren had duidelijk een vrije dag, maar toch nog beleefd informeerde hij of er wat was en of ik soms een knal voor mijn kanus wou?

Eerlijk is eerlijk; dat wou ik niet. Maar toen bedacht ik me, mede met het oog op de politieman tussen mijn oren. Dus ik tastte moedig naar het bonnenboekje in mijn binnenzak en liet mij even later voor volk en vaderland eens lekker molesteren.

Meer over