Politiek weerbericht bepaalt straks koers musea

De nota van staatssecretaris Van der Laan inzake de subsidiëring van rijksmusea ontvouwt een strategie die al enige tijd wordt toegepast bij de regulering van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek....

Het oogt redelijk een deel van de subsidie afhankelijk te maken van deprestaties van de musea. Wie kan er tegen zijn dat er eisen worden gesteldaan de besteding van overheidsgeld? Ligt het niet in de rede om teverlangen van gesubsidieerden dat zij met publiek geld ook het publiekebelang dienen?

De schijn bedriegt hier. De overgang van het oude subsidiesysteem naarhet nieuwe is niet een overgang van een systeem waarin geen verantwoordingwerd afgelegd, naar een systeem waarin dat wel gebeurt. Subsidies warennooit blanco cheques, maar aan strikte regels gebonden. Die regelsbepaalden niet alleen wie voor subsidie in aanmerking kwam, maar omschrevenook de taken die moesten worden verricht.

Met andere woorden, in de oude, reguliere vorm van subsidieverstrekkingis de subsidie te vergelijken met loon of salaris. Ook het salaris is geenblanco cheque. Voor een salaris moet men voldoen aan eisen die in eentaakomschrijving zijn vastgesteld. Ook voor salaris geldt dat iemand diezijn plicht verzuimt of regels overtreedt, het recht erop verspeelt. Metde reguliere subsidie, of die nu aan musea of aan universiteiten isverleend, is dat niet anders.

De nieuwe vorm van subsidieverstrekking maakt van een subsidie iets heelanders. Ze is niet meer met loon te vergelijken, maar heeft het karaktervan een beloning gekregen. Hoewel de woorden loon en beloning - althans inhet Nederlands - dicht bij elkaar liggen, is er een groot verschil tussenbeide.

De beloning is niet aan regels gebonden. Men krijgt geen beloning voorhet naleven van de regels, maar voor het leveren van een uitzonderlijkeprestatie. Het flexibele geld dat vrij komt door op de reguliere subsidiete bezuinigen, wordt dus uitgedeeld als een beloning aan diegenen die eenbijzondere prestatie leveren, die niet vooraf in regels of afspraken wordtomschreven. Met andere woorden: de subsidie als beloning wordt niet alleengegeven aan diegenen die op grond van bepaalde regels in principe voor eensubsidie in aanmerking komen, maar die hem ook daadwerkelijk verdienen.Voor dat verdienen moet iets 'extra's' worden gedaan, dat niet in de regelswas omschreven of afgesproken.

Maar als dat extra niet in de regels wordt omschreven, dan moet hetcriterium of een beloning verdiend is, ergens anders vandaan komen. Bij devoorstellen van mevrouw Van der Laan zijn de extra fondsen die wordengecreëerd, bedoeld om diegenen te belonen die programma's of projectenontwikkelen die beloven bij te dragen aan de doelstellingen die destaatssecretaris voor ogen heeft. Anders dan het loon, vereist de beloningdat de ontvanger direct gecommitteerd is aan het doel van de subsidiegever.

In de museumnota zie je die verschuiving van regel naar doel al directweerspiegeld in de titel: Bewaren om teweeg te brengen. Werd vroegersubsidie verleend als tegenprestatie voor het uitvoeren van een taak,namelijk bewaren en conserveren, nu moet er een doel mee worden bereikt:teweeg brengen. In de nota wemelt het van doelstellingen: musea moeten eenbreder (jongeren en allochtonen omvattend) publiek bereiken, en moeten'kennis' bevorderen door 'actuele of kritische betekenissen te genereren'.De mate waarin de instelling zal worden beloond met het flexibele geld,hangt dus af van de mate waarin deze erin slaagt die doelstellingen tehalen.

Hierbij komen we aan een tweede verschil tussen loon en beloning. Waarhet loon voornamelijk kan worden opgevat als een tegenprestatie voor eengeleverde dienst, daar fungeert de beloning vooral als incentive. Het isniet alleen een reactie op een prestatie, maar moedigt daartoe aan.

De bewijslast voor goed presteren ligt voortaan bij de gesubsidieerdeinstellingen die 'doelen en prestaties scherper moeten formuleren' (dezogenaamde 'zelfstudies') en moeten deelnemen aan een voortdurend procesvan visitatie. Ook bij de verdeling van de flexibele gelden moeten degenendie daarnaar dingen, voortdurend bewijzen het goed te doen of beter dan hunmededingers. Het beeld van de sporter dringt zich hier op. De instellingwordt geacht voortdurend in allerlei wedstrijden prestaties 'neer tezetten'.

Waar echter de sporter weet dat het erom gaat hoger te springen ofsneller te zwemmen, ontbreken dergelijke criteria bij de prestaties vanmusea of wetenschappelijke onderwijsinstellingen. Het enige constantecriterium is kostenbeheersing. Wie aantallen bezoekers of afgestudeerdenmaximaliseert, is altijd in het voordeel. Voor het overige heerstonzekerheid. De prestaties worden weliswaar beoordeeld aan de hand van dedoor de subsidieverstrekker geformuleerde doelstellingen, maar die zijnveranderlijker dan het weer. Vandaag is dat de educatie van allochtonen,maar morgen kunnen weer heel andere nobele doeleinden de voorrang krijgen.De instelling met de beste neus voor hoe de politieke wind waait, is in hetvoordeel.

De trend naar flexibelere vormen van subsidieverlening is dus niet tebegrijpen als een poging om subsidieverstrekking beter te regelen. Deregels worden nu juist terzijde geschoven en vervangen door doelstellingen.Daarbij krijgen beleidsmakers een grotere beleidsvrijheid: zij kunnenvoortdurend nieuwe doelstellingen ontwerpen en opleggen aan de subsidieontvangende instellingen.

De gesubsidieerde instellingen daarentegen verliezen de vrijheid eigendoelstellingen na te streven. Willen zij hun inkomen niet verliezen, danzijn zij genoodzaakt voortdurend hun koers aan te passen aan de immerveranderende doeleinden van de beleidsmakers.

Meer over