Politiek met een lokkie opzij

'Leefbaar Nederland' van Jan Nagel en Henk Westbroek, een nieuwe politieke protestpartij. Niets nieuws onder de zon. Dwarsliggers tegen de gevestigde orde zijn er altijd geweest....

NEDERLAND is vol, maar voor Leefbaar Nederland is er zeker nog ruimte, zegt Maurice de Hond. Een nieuwe partij kan er altijd nog wel bij. De een komt, de ander gaat, zoals dat altijd het geval is geweest. 'Want', zoals de bijbel al zei, 'wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis.' (Efeziërs 6:12)

Steeds weer wordt het wiel uitgevonden. Er is altijd behoefte aan een nieuwe held, een nieuwe Sisyfus, of hij nu Boer Koekoek, Hans van Mierlo of - trappelend in de coulissen - Jan Nagel heet. En de jeune premiers stelen elkaars kleren; althans dat zeggen de critici. Nagel en dj-Westbroek zouden Leefbaar Nederland als een nieuw 'product' op de markt brengen, maar dat werd ook van D66 gezegd, dat als 'een wasmiddel' zou zijn geïntroduceerd met een lijsttrekker die louter om zijn mooie ogen was gekozen. D66 was, schreef men in die dagen, de Boerenpartij voor intellectuelen, maar dat werd ook al van de Provo's beweerd. En uiteindelijk kwam men altijd weer terecht bij de legendarische Hadjememaar, de lijsttrekker van de Rapaillepartij, die in de jaren twintig de gevestigde orde deed beven. Maar kabouter Roel van Duijn, de Hadjememaar van de jaren zestig, ging zelf terug naar de wederdopers die rond 1534 piemelnaakt in Amsterdam het stadhuis bestormden om er hun heilsstaat te vestigen.

Ook nu wordt Jan Nagel gezien in het licht van Hadjememaar. Jan Blokker schrijft zelfs over de 'familie' Hadjememaar. Vermoedelijk omdat de familie in het teken van de Boekenweek staat. Of zijn de leden van de rebellenclub, het rapaille, allemaal familie van elkaar? Is Hadjememaar hun geuzennaam? Of krijgt het nieuw rapaille de naam omdat de zaak-Hadjememaar, volgens de kranten van toen, de 'meest beschamende episode uit de politieke geschiedenis van Nederland' was?

Hadjememaar stonk, letterlijk. Hij was een oude zwerver. Toen hij wegens openbare dronkenschap vlak voor zijn verkiezing tot raadslid van de gemeente Amsterdam werd gearresteerd, moest hij - ter ontluizing - worden overgebracht naar een ontsmettingscentrum op Zeeburg. Hij hield, vandaag precies 78 jaar geleden, zijn enige verkiezingstoespraak, kort en krachtig, aan de voet van het stadhuis: 'Er moet veel veranderen, mensen, in deze stad. Wij zullen strijden tegen de hoge prijzen. Wij zullen strijden voor de jajempies van vijf cent, want wie geen jajem drinkt is een snoeper en snoepen is ongezond. En het brood moet op elf cent komen en vet op vijfendertig cent. En die inrichting voor het algemene nut (urinoir) op het Rembrandtplein moet weg, want daar stoot ieder fatsoenlijk mens zijn neus aan.'

Hadjememaar was als Cornelis de Gelder in 1856 geboren. Hij was een eerzaam metselaar toen zijn vrouw stierf in het kraambed van het derde kind. Ook zijn tweede vrouw stierf voortijdig. Hij begon te drinken, werkte als acrobaat in het circus, liep als marskramer met pantoffels langs de huizen en werd een bekend straatartiest, oftewel zwerver, die van omliggende restaurants als Schiller op het Rembrandtplein te eten kreeg. Hij trad op met een leeg sigarenkistje en een stuk hout als strijkstok. Hij danste de charleston en zong zijn lijflied:

Had je me maar, met een knakie erbij,

Had je me maar, met een lokkie opzij,

Had je me maar, wat je hoort en wat je ziet,

Ik wil wel met je vrijen, maar mijn centen krijg je niet.

Hij was met zijn bolhoed en 'kerstmannetjesbaard' zo'n bekende Amsterdammer dat, toen hij in 1919 was gevallen en tijdelijk in een ziekenhuis werd opgenomen, het populaire blad Het Leven een fotoreportage van enkele pagina's aan hem wijdde.

Van politiek wist hij niets en om met Jan Nagel te spreken: hij stond niet te popelen. Hadjememaar werd voor jajem ingehuurd; door kunstenaars en anarchisten die de parlementaire democratie en vooral de dwang van de stemplicht die dat jaar, 1921, werd ingevoerd, beschouwden als een verfoeilijk werktuig van het kapitalisme. De Eerste Wereldoorlog had, betoogden zij, het faillissement van de beschaving aangetoond. Overal in Europa ontstonden revolutionaire en anarchistische bewegingen die het kwaad van de bourgeoisie met wortel en al wilden uitroeien. En hoe absurder de opstand, hoe groter de angst van de volgzame burger.

In Amsterdam kwamen de bewonderaars van Domela Nieuwenhuis, Lenin, Kropotkin (die ook de geestelijke vader van Kabouter Van Duijn werd), de dadaïsten en Tijl Uylenspiegel, samen in 'de Uilenkelder' aan de Reguliersgracht. Het was de voorloper van de kunstenaarssocieteit 'De Kring'. Daar betoogden zij dat het algemeen kiesrecht de ezel aan de macht bracht. En dat zouden zij bewijzen, de dichters, schilders en leden van onder anderen 'de vereniging van anarchistische taxichauffeurs'. Zij richtten de Rapaillepartij op.

Voorzitter van het actie-comité werd de dadaïstische beeldhouwer Ton Bakels, die in 1939 aan een feestdiner in Berlijn Hitlers minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop uitmaakte voor 'reiziger in slechte champagne'.

De meest invloedrijke figuur was Erich Wichman, zoon van een vermaard Utrechts hoogleraar en broer van de feministe Clara Wichman. Hij deed op zijn dertiende eindexamen gymnasium, studeerde scheikunde en kunstgeschiedenis; en werd schilder, dichter en pamflettist. De anarchist Arthur Lehning bewonderde hem om zijn 'eruditie, donquichotterie en onmaatschappelijkheid'. Wichman haatte de Nederlandse middelmatigheid die alleen met veel jenever was te bestrijden, en noemde zich later na een bezoek aan Italië, waar hij onder de indruk kwam van Mussolini, 'de eerste fascist van Nederland'.

Geleerden zijn het er niet over eens of Wichman (met de Rapaillepartij) de grondlegger van het Nederlands fascisme is geweest. Volgens een artikel in Ons Amsterdam, december 1970, was Wichman, die, 38 jaar oud, in 1929 na het sjouwen van zandzakken bij een overstroming aan uitputting stierf, veel te non-conformistisch om in Mussolini te kunnen blijven geloven. Ander Rapaille werd communist of stierf in het concentratiekamp. De bevlogen Wichman bleef tot zijn dood bevriend met de dichter Marsman.

Als goed anarchist had hij aanvankelijk niets van democratische verkiezingen willen weten en plakte hij Loesje-achtige affiches: 'Stem niet, lees Goethe'. Zijn bekering tot Hadjememaar veroorzaakte een furieuze stammenoorlog en de 'Landelijke Federatie van Sociale Anarchisten' beschuldigde het Rapaille van hoogverraad. De situatie was te kritiek om grappen te maken en de bevolking te misleiden.

In 'De Raad', het verkiezingsblad dat Wichman in naam van Hadjememaar volschreef en dat slechts één keer verscheen, werd teruggeslagen met wijsgeren als Plato. Die had immers gezegd: 'De welverdiende straf voor de wijze, die niet wil regeren, is te worden geregeerd door dwazen.' Het blad, doorspekt met beschouwingen over de klassieke literatuur, pleitte voor gratis vissen in het Vondelpark en afschaffing van alle kunst en wetenschap.

De Amsterdammers amuseerden zich. De burgemeester liet nerveus een geheim dossier over Hadjememaar en diens veroordelingen aanleggen. Hij vroeg nerveus om raad aan de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, Mr. Kan (vader van Wim Kan) die op een kaartje repte over de 'Lex Hadjememaar', een wet die veroordeelden wegens openbare dronkenschap, landloperij en bedelarij, het passief kiesrecht moest ontnemen.

De Rapaillepartij, lijst 17, won met 14.246 stemmen twee zetels. In alle wijken werd op Hadjememaar gestemd, vooral in de Jordaan en de eilanden, waar de communisten verloren. Hadjememaar heeft nooit zitting genomen in de raad. Ondanks de lijfwacht die hem tegen de politie moest beschermen, was hij drie weken voor de verkiezingen toch opgepakt. Hij had zijn bewakers dronken gevoerd, ontsnapte en liep in de politieval. Op 27 april, verkiezingsdag werd Hadjememaar tot twee weken gevangenis veroordeeld en naar een ontwenningsoord op de Veluwe gestuurd. De autoriteiten overreedden hem afstand van zijn raadszetel te doen. Hij werd opgevolgd door Bertus Zuurbier, voormalig flessenspoeler en fanatiek bestijder van god , kapitalisten en sociaal-democraten. Zuurbier, een lange, magere, onberispelijk geklede man met sierlijke hoed verkocht op het Amstelveld (vooral oude) nummers van de Vrije Socialist, het blad van Domela Nieuwenhuis(die in 1919 was overleden). 'Een oud nummer? De duivel is oud. Voor jou is het nieuw.'

Zuurbier, een gewiekst spreker die met zijn scherpe beledigingen altijd veel publiek trok, heeft als raadslid zelden of nooit zijn mond opengedaan 'omdat vijf gulden presentiegeld te weinig was.' Na twee jaar was het bekeken Zuurbier werd niet herkozen. Hij bleef vrijwel tot zijn dood in 1962 colporteren met anarchistische bladen. Ook Rotterdam en Haarlem kregen Rapaillisten in de raad, maar pogingen om in de Tweede Kamer te komen mislukten. Hadjememaar zelf keerde als eerzaam straatventer terug naar Amsterdam en de Rotterdamse dichter Speenhoff schreef voor hem het gedicht: 'Landgenoten, stadgenoten. Als Hadjememaar was ik raadslid,/ ik zwierf toen als bedelaar rond/nu kom ik terug als De Gelder/ Menswaardig, gelukkig, gezond.'

Op een winteravond in 1931 lette het oud-raadslid niet op bij het oversteken van het Leidsebosje. Hij kwam onder een auto en stierf. Maar Hadjememaar leeft voort, maakt Nederland leefbaar.

Meer over