Politici schrijven geen examenprogramma's

In het voortgezet onderwijs is een revolutie gaande die een climax bereikt met de invoering van het studiehuis in de bovenbouw van havo en vwo....

JEZELF op kosten gejaagd door van de tram in een taxi te springen, kleerscheuren opgelopen doordat je aan een tourniquetje bleef haken, een duur kaartje bij de conducteur gekocht, maar de trein heb je gehaald! En dan trilt je mobiele telefoon. Nog nahijgend meld je je (discreet op het balkon). Om te horen dat de afspraak een week verzet is.

Zo ongeveer - maar dan erger - voelde het toen in september 1997 de Tweede Kamer besloot dat scholen de mogelijkheid moesten krijgen om niet per augustus 1998, maar pas in 1999 te beginnen met de vernieuwing van de zogeheten Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Bijvoorbeeld bij de uitgevers die aan 't spurten waren (geweest) om tijdig de eindstreep te kunnen halen.

Het is een merkwaardig besluit dat de Tweede Kamer in een vloek en een zucht nam. Men had meer belangstelling voor het bezoek van president Clinton aan ons land, die dag. Door scholen de keuze te laten of zij in 1998 of in 1999 beginnen op te leiden voor de nieuwe examens, moeten er bijvoorbeeld dubbele eindexamens worden ontwikkeld in 2000 (voor het havo) en 2001 (voor het vwo) omdat er in die jaren kandidaten oude en nieuwe stijl zijn. Die extra kosten belopen 'een aantal miljoenen' (bron OC & W).

Nu kun je voor 'een aantal miljoenen' (andere schattingen vallen hoger uit) maar enkele honderden computers kopen. Maar zou het onderwijs daar niet blijer mee zijn dan met de sores van dubbele examens?

Waarom niet gewoon allemaal in 1999 begonnen met de invoering van de Tweede Fase? Op dit moment lijkt maar zo'n 10 procent van de scholen géén gebruik te maken van de mogelijkheid tot uitstel. Het geringe animo om voorop te lopen is te begrijpen. De invoering van de Tweede Fase is een ingrijpende operatie, die uitgevoerd moet worden terwijl er nauwelijks budgetten voor het meerwerk zijn toegekend en het gewone werk ondertussen in volle hevigheid doorgaat.

Het besluit om de keuze voor 1998 of 1999 aan de scholen te laten was dan ook een compromis tussen de meerderheid van de Tweede Kamer die voor algeheel uitstel leek en een staatssecretaris die haar gezicht niet wilde verliezen. Netelenbos was klaar, zei ze, en de educatieve uitgevers zouden dat ook zijn. Dat hebben ze plechtig beloofd, zo bezwoer zij de Kamer. En ze waren ook klaar, zij het hijgend.

De tijdsdruk gaf aanleiding tot amechtig getouwtrek (tussen het departement, vakverenigingen, Kamerleden, en tal van anderen) en opportunistische besluitvorming die in een aantal gevallen uitmondde in zouteloze compromissen.

Een droevig voorbeeld daarvan is het programma voor het nieuwe vak Management & Organisatie dat erg veel lijkt op het oude vak Economie II, maar is aangevuld met de doelstelling 'dat leerlingen vraagstukken binnen een organisatie kunnen benaderen vanuit het perspectief van het management'. Want dan snappen ze straks als werknemer waarom het management iets doet.

Een ander voorbeeld: Maatschappijleer. Voor dat vakgebied is uiteindelijk een noodoplossing getroffen (waarover het gerucht steeds luider wordt dat die niet - zoals eerst de bedoeling was - tot 2000 maar tot 2003 moet fungeren) omdat de programma-ontwikkelaars er niet in slaagden om een nieuw vak samen te stellen dat én aan de eisen van de staatssecretaris én aan de - bijna tegengestelde eisen - van de Tweede Kamer voldeed.

Het onderwijs heeft te veel last van de politiek. Een Tweede Kamer die zich vol verve buigt over deelexamenprogramma's, terwijl uit alles blijkt dat de sprekers het geheel niet overzien.

Kamerleden die hun oren getrouw laten hangen naar allerhande lobby's omdat ze denken aan het oordeel van kiezers bij wie - bijvoorbeeld - de heimwee naar de HBS in een oogwenk is te mobiliseren. Van voetbal heeft ook iedereen verstand. Maar Kamervragen over de opstelling en de tactiek van het Nederlands elftal zijn, bij mijn weten, nog nooit gesteld.

Dat er in de laatste fase geschoven is met eindtermen van het ene naar het andere vak, is op zichzelf niet erg. Het is zelfs jammer dat het jaar extra, dat er achteraf bleek te zijn, niet meer benut kon worden om alle deelprogramma's eens naast elkaar te leggen, in samenhang te bekijken en om het geheel aan de uitgangspunten te toetsen.

Het totale programma zou daardoor aan kwaliteit en samenhang hebben gewonnen. Het verstevigen van samenhang tussen de vakken was nu juist één van de belangrijke doelstellingen van de vernieuwingsoperatie.

Ook de uitgevers hadden die extra tijd best kunnen gebruiken. Toch zijn zij hun belofte aan de staatssecretaris nagekomen: de leerlingenboeken lagen er aan het begin van de methodekeuzebijeenkomsten in februari van dit jaar. Het hardnekkige gerucht dat dit niet zo zou zijn - verspreid door slecht geïnformeerde docenten en onder andere de Volkskrant - ten spijt.

Natuurlijk ontbreken er voor een aantal vakken nog boeken, zoals voor Culturele en Kunstzinnige vorming 2 en 3. Maar dat kan ook niet anders: het concept-examenprogramma kwam pas in februari van dit jaar beschikbaar (en passeert overigens pas in het najaar - naar verwachting - de Tweede Kamer).

Er wordt gezegd dat de examenprogramma's over een jaar of vijf wel zullen worden herzien. Als daar nou eens in alle rust de besluiten over worden genomen voordat de veranderingen een jaar of twee later in de scholen moeten worden doorgevoerd. Regeren is toch vooruitzien?

Dat is een cliché van jewelste en dus een waarheid als een koe, zou je denken. Maar het regeerakkoord van Paars II logenstraft die gedachte.

Regering en parlement hebben er de afgelopen jaren op gehamerd dat Nederland, gezien de infrastructuur (weinig vierkante meters, veel mensen), zich alleen maar staande kan houden wanneer het op het terrein van kennis en innovatie excelleert.

Dat stelt hoge eisen aan onderwijs. Hoe valt dat te rijmen met de constatering van de Sociaal-Economische Raad dat Nederland te weinig uitgeeft aan onderwijsvernieuwing? De Noord-Europese landen besteden gemiddeld 45 procent meer aan onderwijs, de West- en Midden-Europese 11 procent en de Verenigde Staten 22 procent (bron: CBS). Alle méér.

De OESO, de organisatie van de rijke industrielanden, hanteert als norm voor onderwijsbestedingen 6 procent van het Bruto Nationaal Product. Nederland besteedde de afgelopen jaren 5,3 procent.

Het voorlopig regeerakkoord gaat uit van een stijging - op den duur - van de onderwijsuitgaven met 1,8 miljard. Maar hanteren we de 6 procentsnorm (waarmee we fors achterblijven bij andere kennis- en innovatielanden), dan zouden de bestedingen voor onderwijs met zo'n 4 miljard moeten toenemen.

En waaraan worden de schamele en ontoereikende 1,8 miljard uitgegeven? Voor een groot deel gaat het geld op aan achterstallig onderhoud aan gebouwen en aan klassenverkleining in het basisonderwijs.

Paars II spreekt het voornemen uit om het onderwijs de komende vier jaar niet weer te belasten met ingrijpende veranderingen. Dat lijkt aardig en meelevend. Maar het is niet meer dan een manier om met een minimale onderwijsbegroting zonder al te onthullende kleerscheuren door de komende regeerperiode heen te raken.

Kennis en innovatie zijn van later en andermans zorg.

Anne Rube is hoofd van de uitgeefkern voortgezet onderwijs van uitgeverij Meulenhoff Educatief.

Dit is de vierde aflevering van een serie van de Volkskrant en politiek-cultureel centrum De Balie in Amsterdam. Eerdere afleveringen verschenen in Forum van 4, 9, 16 en 23 juli. De serie wordt op 7 september afgerond met een debat in De Balie.

Meer over